De koe stoffeert de wei

Marjoleine de Vos: Het waait. Van Oorschot, 47 blz. € 12,50

Was ik maar een koe, verzucht Marjoleine de Vos in haar nieuwste poëziebundel. Je nooit meer iets af hoeven vragen, ‘slechts stront/ en glanzend vel’ zijn. Waar het de dichter hier om gaat is niet een verlangen tot herkauwen, maar de wens te ontsnappen aan het verdraaide denken, dat altijd maar doorgaat. Dit openingsgedicht van Het waait zet de toon voor de rest van de bundel, die gelezen kan worden als één grote ontsnappingspoging uit het eigen bewustzijn.

Dat is niet voor het eerst bij De Vos. Alleen al uit de titel van haar eerste bundel, Zeehond graag (2000), blijkt hetzelfde verlangen. Verplaatste de ‘ik’ zich daar nog in een zeehond, nu is het deze koe: ‘groot van melk en lijf’. Dat de metamorfose gedoemd is te mislukken staat vast. Maar het steeds opnieuw proberen te ontsnappen aan het eeuwige denken zegt veel over de aard van mevrouw Despina, het alter-ego dat Marjoleine de Vos regelmatig in haar gedichten laat optreden. Steeds wordt mevrouw Despina heen- en weer geslingerd tussen het denken en het niet willen denken. Tussen reflectie en gewoon maar domweg zijn.

Behalve van dier is mevrouw Despina ook van locatie gewisseld sinds de vorige twee poëziebundels – we zijn op het platteland waar alles blaat, ronkt, kauwt of maait dat het aard heeft. Al het vanzelfsprekende leven dat de ‘ik’ in deze gedichten omringt, betekent niet dat het leven zelf eenvoudiger wordt. Integendeel eigenlijk – het werkt als permanent contrast. Zit je eindelijk in die mooie tuin, zomer, ‘geluk bij de hand’, ‘klaar voor de ervaring’, word je weer uit je evenwicht gebracht door verlangen, heimwee of rouw.

Hoe intens de natuur om haar heen ook is, het is voor mevrouw Despina lang niet altijd mogelijk om zich er ook aan over te geven. Erger nog, zelfs de natuur wordt besmet door de dichterlijke, interpreterende blik. Neem het gedicht over de koe. Die verliest haar onschuld, ook al weet zij niet ‘dat zij als teken haast/ de wei stoffeert, voor mij die droomt/ te kunnen zijn als zij?’ Zelfs dat enorme, maar al te aanwezige beest wordt door de poëzie gereduceerd tot een ‘teken’.

Zo krijgt alles betekenis, in plaats van gewoon ‘stront en glanzend vel’ te zijn. Opgaan in ‘het zijnde’ is onmogelijk, al is het maar omdat wij pas bestaan als we erop reflecteren, dus afstand nemen. In tegenstelling tot zeehond, kat of koe, moeten wij onszelf steeds opnieuw benoemen (of laten benoemen door de geliefde) om waar te zijn.

Daarnaast is er een banalere reden waarom het niet lukt om op mystieke wijze verenigd te worden met het ‘alles’. Het streven naar onthechting rijmt zich niet altijd met het verlangen naar het volle leven dat hier innig wordt omarmd. Inkeer wint het niet van garnalenkroketten, of van het ‘dom geluk/ van groot gebraad’. Mystiek is mooi maar daarna graag wijn.

Net wanneer deze huis- tuin en keukenmystiek je als lezer te zelfgenoegzaam en makkelijk begint te worden, vindt mevrouw Despina dat zelf gelukkig ook. Zoals wanneer ze een reisje onderneemt en het noorderlicht ziet en dat vervolgens allemaal heel mooi in dichtregels vangt. Na een witregel blijkt het allemaal nep, want: ‘was ze weer niet echt daar, te zeer al/ van verwachting vol, van wat ze diep/ zou ondergaan, alvast gewapend/ met haar woordtuig en haar ansichtkaart./ De reis niets waard’. Zo beschouwd is de poëzie, dat ‘woordtuig’, eerder een belemmering om iets te ervaren dan een hulpmiddel.

Maar er is meer aan de hand. Uiteindelijk is er toch maar mooi dit keurige gedicht van gekomen, en is de reis dus wél wat waard. Dat leidt dan tot toch een genoeglijke bundel, die als je hem dicht slaat een beeld achterlaat van de dichter die in een tuin met landelijk uitzicht, een glas wijn in de hand, probeert ‘één met het zijnde’ te worden, zich laat afleiden, en daar dan een gedicht over schijft, dat ze ‘Mevrouw Despina’s mislukte mystiek’ noemt.

Zo is dit weliswaar knappe, maar ongevaarlijke poëzie. Het staat vol met vondsten en treffend verwoorde gedachten, maar spannend wordt het niet. ‘Spannend’ is natuurlijk een mishandelde term, maar hier is er iets heel concreets mee bedoeld. Het gaat erom dat de tweespalt die de bundel zo goed beschrijft, nergens wordt uitgebeeld in de vorm.

Van poëzie verwacht je dat je gaat voelen wat er staat, in het ritme bijvoorbeeld of in de taal. Dat gebeurt hier niet. Het gebeeldhouwde ritme, het fraaie binnenrijm, leuke personificaties en vooral de vele ellipsen maken het onmiskenbaar tot poëzie, maar nergens staat er echt iets op het spel. De onwankelbare vorm, die steeds vaste grond onder de voeten houdt, stemt niet overeen met de existentiële verwarring die hier wordt beschreven.

Zodat je concludeert: hier wordt niet écht gezocht.