De filiaalchef van Buitenzorg

Zijn privé-papieren zijn verbrand. Toch is nu het leven van een eigenzinnige gouverneur-generaal gereconstrueerd.

Elsbeth Locher-Scholten en Bob de Graaff: J.P. graaf van Limburg Stirum 1873-1948. Tegendraads landvoogd en diplomaat. Waanders, 552 blz. € 34,95

Met de biografie van Johan Paul graaf van Limburg Stirum, die leefde van 1873 tot 1948, is iets eigenaardigs aan de hand. Je begint haar te lezen als het portret van een liberale aristocraat, een intelligent en bekwaam bestuurder, de ‘parel van de Nederlandse diplomatie’ zoals hij werd getypeerd in Fasseurs boek over Wilhelmina – maar gaandeweg sluipt een soort tegengevoel de lectuur binnen, het woord ‘onhebbelijk’ is een paar keer aan de orde, met z’n liberalisme blijkt het nog al eens te zijn tegengevallen, de intelligentie leidde niet zelden tot impulsieve opinies en maatregelen, en voor de karakteristiek van de diplomaat zouden we misschien ook nog even moeten kijken naar wat bij zijn naam in het Biografisch Woordenboek van Nederland (eerste deel, 1979) geschreven stond:

‘Van aristocratische smaak en allure stak Van Limburg Stirum bijna overal boven zijn omgeving uit, die hij met enige reserve vanuit zijn geestelijke en fysieke hoogte placht te bekijken’.

Enerzijds, anderzijds dus, wat wel wordt aangezien als een definitie van historische objectiviteit.

Kan de ambivalentie verklaard worden uit het tamelijk ongewone feit dat de biografie werd geschreven door twee auteurs? Elsbeth Locher-Scholten en Bob de Graaff verdeelden de taken. Mevrouw Locher, die veel gepubliceerd heeft over Indonesië en de oude kolonie, en die trouwens verantwoordelijk was voor het Van Stirum-lemma in het Biografisch Woordenboek, schreef over de familie, het persoonlijk leven en over het Indië waarvan Stirum tussen 1916 en 1921 de landvoogd was. Bob de Graaff, sinds kort hoogleraar terrorisme en contraterrorisme aan de universiteit van Utrecht, nam Van Stirums werk als ambtenaar van Buitenlandse Zaken en als Nederlands vertegenwoordiger in onder andere Constantinopel, Stockholm, Peking, Berlijn en Londen voor zijn rekening.

Meer dan haar co-auteur zal mevrouw Locher bij de uitwerking van haar onderwerpen last hebben gehad van Stirums testamentaire beschikking dat al zijn persoonlijke papieren en dagboeken na z’n dood moesten worden vernietigd. Het echtpaar stierf bovendien ook nog kinderloos – wat van de man ‘overbleef’ waren alleen maar foto’s of tekeningen van de in gala-uniform gestoken gouverneur-generaal of diplomaat. ‘Zo zag hij ook anderen’, schrijft Locher: ‘portretten van vorsten en hoogwaardigheidsbekleders die hij had ontmoet, vulden zijn werkkamer’.

De hoofdstukken over de Indische episode (Van Stirum had geen specifieke kennis van de archipel, hij was één keer als toerist op Java geweest) staan letterlijk centraal in het boek’, alsof een (ooit als zodanig ook aangekondigde) monografie over alleen de gouverneur-generaal (GG) allengs uitgedijd is geraakt tot de beschrijving van het ‘totale’ leven.

Na Leidse vlegeljaren (het begrip mag letterlijk worden genomen; de adellijke rechtenstudent vertoonde alle eigenschappen van een arrogante corpsbal) maakte Van Stirum snel carrière op het rond 1900 nog schaars bezette departement van Buitenlandse Zaken, en werd hij meteen ook kandidaat voor de diplomatieke dienst. Dat had met zijn al dan niet vermeende talenten te maken, maar ook met zijn vermogen. Ambassadeurs en gezanten moesten het toen doen met een zuinige onkostenvergoeding, en als ze in een vreemde hoofdstad een zekere staat wilde voeren kónden ze het er niet van doen of ze moesten het er zelf bij leggen. Van Stirum zal in zijn loopbaan het koninkrijk voor tonnen zijn bijgesprongen.

Schuurpapier

Of hij een plaats in de geschiedenis verdient als landvoogd in een roerige periode – oorlog en revolutie in Europa, opkomst van de Sarakat Islam en van nog ongecoördineerde nationalistische bewegingen in Indonesië – valt uit de bevindingen van Elsbeth Locher niet gemakkelijk te concluderen. Van Stirum was altijd snel met oordelen en voorstellen die hij baseerde op soms oppervlakkige informatie, en die aantrekkelijker klonken dan ze in de latere praktijk zouden blijken. Het beste voorbeeld was de ‘novemberverklaring’ die hij in 1918 in de recentelijk geïnstalleerde Volksraad uitsprak, en die door pan-islamisten en nationalisten kon worden begrepen als Nederlandse bereidheid om het autocratische bewind te versoepelen met geleidelijke ontvoogdingsstappen. Elf jaar later zou de geïnterneerde Soekarno zich nog tevergeefs beroepen op de ‘belofte’ van de gewezen gouverneur-generaal.

Mevrouw Locher geeft de kwalificatie in de ondertitel van het boek alle eer. Van Stirum heet daar ‘tegendraads landvoogd en diplomaat’, en de GG lanceerde zo nu en dan inderdaad (hervormings)ideeën die in Den Haag als eigenwijs, zo niet recalcitrant werden aangemerkt. Ze maakt intussen duidelijk dat de Nederlandse landvoogd op geen stukken na een ‘onderkoning’ was zoals koningin Victoria haar plaatsbekleders naar de kroonkolonie stuurde. ‘Onze man’ in Buitenzorg heeft altijd meer weg gehad van een deftige filiaalchef, die zich op alle relevante beleidspunten moest houden aan wat kabinet en minister van Koloniën in patria hadden uitgestippeld. Naar Stirums scherpzinnige prognose over mogelijke Japanse agressie, en z’n stoutmoedige voorstel om de hele Nederlandse marine versterkt en wel in Indië te concentreren, is nooit geluisterd. Hij raakte al half in conflict met zijn voorganger Idenburg toen die op Koloniën zat, maar onder minister De Graaff die de portefeuille bezette in het eerste kabinet Ruys de Beerenbrouck kreeg de relatie tussen Buitenzorg en het Binnenhof volgens Locher ‘de kwaliteit van knisperend schuurpapier’.

‘Diplomatiek’ was de diplomaat Van Stirum in de omgang lang niet altijd. Erg diligent naar het schijnt evenmin. Hij veroorloofde zich tijdens z’n gezantschappen lange periodes van afwezigheid, klaagde vanuit een paar landen (China, Egypte, het nog Ottomaanse Turkije) voortdurend over plaatselijke chaos of lethargie, en berichtte mondjesmaat naar zijn opdrachtgevers op het ministerie. ‘Van Limburg Stirum’, schreef Idenburg over zijn aanstaande opvolger die toen nog in Stockholm zat (en zijn standplaats het Dokkum van Europa noemde), ‘lijdt niet door overmaat van werk.’ Maar we weten dat Nederland materieel meer aan de graaf was verschuldigd dan de graaf aan Nederland, dus dat stond er weer tegenover.

Onheil

De afwezigheid van privé-correspondentie, memo’s of dagboeken zal de auteurs er toe hebben gebracht onbekrompen te citeren uit officiële stukken, brieven en telegrammen, wat vaak niet al te fascinerend is, en niet steeds een speciaal inkijkje in de werkwijze (laat staan de humeuren) van Van Stirum garandeert. Mogelijk was diens belangstelling voor de ‘historische’ buitenwereld sowieso niet zo groot, maar je mist zijn persoonlijke commentaar op belangwekkende ontwikkelingen van politieke, sociale en culturele aard die hij van Constantinopel en Rome tot in Peking en Cairo moet hebben gevolgd.

Alleen over Berlijn, waar hij geaccrediteerd werd in 1927 (Stresemann leefde nog, met de Weimar Republiek leek het eindelijk wel goed te gaan), komen we via zijn reacties het een en ander te weten. ‘Men moet wellicht in Duitsland wonen om zich een voorstelling te maken van het onheil dat ik komen zie’, schreef hij al vroeg naar huis, en zijn afkeer van het nationaal-socialisme was nog vele malen groter dan zijn aversie tegen het communisme. Dat hij – anders dan andere diplomaten – consequent weigerde de nazipartijdagen in Neurenberg bij te wonen (hij was ambassadeur in een land, ongeacht de partij die er de macht had) sierde hem evenzeer als het feit dat het in 1937 weinig heeft gescheeld of Hitler had Den Haag laten vragen om z’n voor Duitsland ‘onaanvaardbaar’ geworden vertegenwoordiger terug te roepen.

Van 1937 tot 1939 is hij nog gezant in Londen geweest – en op die post sloot hij z’n carrière af. Het echtpaar vestigde zich op het grafelijk familiegoed IJsselvliedt in de buurt van Wezep. Daar zou het na 1940, landadellijk en op Duitse inkwartiering na vrijwel probleemloos, het einde van de oorlog afwachten.