‘Coppelia’ oogt overdonderend en danst truttig

Dans Het Nationale Ballet: Coppelia. Gezien 14/2 Muziektheater Amsterdam alwaar t.m 4/3. Inl: www.het-nationale-ballet.nl.

Reacties lopen uiteen van ‘verschrikkelijk’ tot ‘wat ziet ’t er mooi uit hè’. Ze zijn allebei waar want het nieuwe avondvullende ballet Coppelia van artistiek directeur Ted Brandsen is van een archaïsch soort tuttigheid maar oh wat ziet het er overdonderend uit.

Het Nationale Ballet dat in de eerste plaats het erfgoed in de klassieke dans koestert, heeft nu zijn eigen hervertelling van een bekend sprookjesballet van Arthur Saint-Léon dat in 1870 het levenslicht zag in Parijs. Niet dat de choreografie destijds zozeer voor de bekendheid zorgde, nee, het was vooral de muziek van Léo Delibes met de als oorwurm werkende melodieën die de roem hoog hield. Net als Lev Ivanov, Georg Balanchine of Magy Marin, zag Ted Brandsen toch wat in het verhaal over Zwaantje die haar verloofde op de dag voor haar bruiloft verliest aan de betoverende Coppelia. Later blijkt de rivale een door dokter Coppelius geschapen robotpop te zijn. Échte liefde overwint uiteraard.

De metaforen in Coppelia liggen voor het oprapen; Brandsen en zijn dramaturge Janine Brogt kozen een hedendaagse setting van een kliniek voor plastische chirurgie. Met Coppelia als het wezenloze ideaal van elke vrouw: strak en niet aan verval onderhevig. Maar de tijdloze moraal dat echte liefde met veel innerlijk overwint, bleef gehandhaafd.

Ted Brandsen (1959) deed in elk geval één briljante zet: hij verzamelde een geniaal ontwerpteam naast zich. Kinderboekenschrijver/illustrator en decorontwerper Sieb Posthuma, kostuumontwerper Francois-Noël Cherpin en lichtontwerper James F. Ingalls creëren magische, veellagige en kleurrijke beelden die alle shows van Joop van den Ende doen verbleken als het om impact en kwaliteit gaat. Posthuma keerde terug naar de jaren zestig en kwam met een tweedimensionaal, stripachtig kijkdoosdecor aan. Cherpin vertaalde die optimistische tijd weer in herkenbare uitvergrote Brigitte Bardot-ruiten op de kleding, kittige stewardessenoutfits en hilarische poedelpakjes. Ingall brengt met subtiel spektakel diepte en kleur aan door ongeveer elke lamp die het Muziektheater in huis heeft, te gebruiken. Wat een overdonderende samenwerking.

De teleurstelling van de avond is het ballet zelf. Brandsen heeft het oude pantomimeballet met de breed uitgemeten en overdreven gebaren en blikken, niet afgestoft. Zoals alleen nog amateurs en jonge kinderen acteren, laat hij zijn dansers op toneel hun stereotiepen spelen. Zoveel archaïsme kan echt niet meer, zelfs niet in het klassieke ballet.

Brandsen is een verdienstelijk maar geen groot choreograaf; hij vult braaf iedere noot van Delibes in (overigens heerlijk live gespeeld door Holland Symfonia o.l.v. Boris Gruzin) met veel niks-aan-de-hand-pasjes die zeker niet leiden tot bewondering. Hij laat zelfs geen ruimte over voor virtuositeit. Schitteren doen slechts enkelen. Als Michele Jimenez een flamenco danst gonst het in de zaal, en Artem Yachmennikov die de aanstaande echtgenoot speelt, kan dansen én met de zaal flirten. Igone de Jongh blijkt opnieuw niet de allerbeste actrice.

Maar de vormgeving is een mijlpaal in de balletgeschiedenis.