Avontuurlijke tobber

Kunstenaar René Daniëls – onlangs bekroond met de Oeuvreprijs – werd in 1987 getroffen door een hersenbloeding. Hij stond toen op het punt internationaal door te breken. Die doorbraak is er toch gekomen: zijn werk staat weer volop in de belangstelling.

Het applaus was oorverdovend toen René Daniëls enkele weken geleden de Oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende Kunst, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) toegekend kreeg. De 57-jarige kunstenaar, die ernstig gehandicapt is sinds hij in 1987 door een hersenbloeding werd getroffen, stond in zijn zwarte leren jack op het podium en wachtte geduldig tot het publiek was uitgeklapt. Vervolgens nam hij zwijgend een bos bloemen en een designtheepot in ontvangst. Het was moeilijk om op zijn gezicht, met die wat scheve mond, een glimlach te herkennen. Maar in zijn brutale ogen stonden pretlichtjes.

Daniëls kreeg de Oeuvreprijs, veertigduizend euro groot, omdat hij volgens de jury ‘in de jaren zeventig en tachtig een enorme impuls aan de Nederlandse beeldende kunst heeft gegeven’. Het juryrapport repte van ‘een korte en hevige bliksemflits die alles in een ander licht heeft gesteld’. Beïnvloed door de energie van punkmuziek schilderde Daniëls expressionistische, figuratieve voorstellingen in een tijd waarin abstracte, fundamentele schilderkunst de boventoon voerde. Hij maakte nonchalant ogende schilderijen over triviale onderwerpen als skateboards, grammofoonplaten, giraffen en zwanen. Het zogenaamde ‘strikje’, een gestileerde weergave van een museumzaal met schilderijen aan de muur, werd uiteindelijk zijn handelsmerk.

Zelf kan de kunstenaar niet meer in woorden uitdrukken wat de toekenning van de Oeuvreprijs voor hem betekent. Daniëls lijdt aan afasie en communiceert door zijn duim omhoog of omlaag te steken. Vragen kan hij alleen met ja of nee beantwoorden. Maar volgens Joop Roes, bestuurslid van de Stichting René Daniëls die het werk van de schilder beheert, ervaart Daniëls de prijs als een belangrijke erkenning. „Ik merkte bij de prijsuitreiking dat hij apetrots was. Ik heb hem gevraagd wat hij met het geld ging doen. Hij maakte duidelijk dat hij er een groot feest van wil geven.”

Dat Daniëls nu, twintig jaar nadat zijn carrière abrupt ten einde kwam, zo’n belangrijke prijs krijgt is geen toeval. Er is de laatste tijd weer volop belangstelling voor zijn oeuvre. Het Bonnefantenmuseum, het Van Abbemuseum en Museum De Pont organiseerden de afgelopen twee jaar presentaties van zijn werk. Er waren tentoonstellingen in Frankrijk en Duitsland en onlangs verschenen er twee boeken over de schilder: het kunstenaarsboek Onvermijdelijke aantekeningen en de bundel Spreeksel, met teksten van en over René Daniëls. De Londense Tate Modern kocht drie van Daniëls schilderijen, waarvan er één (Mystic Transportation uit 1987) nu wordt getoond.

„Er is duidelijk sprake van een opleving”, zo merkt ook Joop Roes. „Sinds de tentoonstelling in De Pont is er weer veel vraag naar zijn schilderijen. In Nederlandse collecties is zijn werk al goed vertegenwoordigd, maar er is nu ook steeds meer belangstelling uit het buitenland.”

René Daniëls stond op het punt

om internationaal door te breken toen het noodlot hem op Kerstavond 1987 trof. Hij had net een succesvolle solo achter de rug in de Kunsthalle Bern. En in de New Yorkse galerie Metro Pictures hing zijn werk tussen dat van grootheden als Cindy Sherman, Mike Kelley en Martin Kippenberger. In Nederland werd Daniëls toen al op handen gedragen. Zijn werk was aangekocht door zo’n beetje alle belangrijke musea en bedrijfscollecties, en de recensies van zijn tentoonstellingen waren steevast lovend. Zelden was een carrière van een Nederlandse kunstenaar zo voorspoedig verlopen.

Vrienden typeren de René Daniëls van voor 1987 als een ‘bon vivant’, iemand die hield van goede wijn en kattekwaad. Hij was verleidelijk en charming, zei kunstenaar Marlene Dumas eens, „niet omdat je meteen met hem in bed wilde klimmen, maar omdat hij zo levendig was, zo speels”. Dominic van den Boogerd, directeur van de tweede fase-opleiding De Ateliers in Amsterdam, kreeg les van Daniëls op de kunstacademie in Tilburg. Hij omschrijft hem als een charismatische persoonlijkheid: „Ongehinderd door dogma’s, avontuurlijk. In zijn atelier hing een schilderij dat hij ooit op de vlooienmarkt had gekocht, een zeegezicht. René had het op zijn kant gehangen, daardoor leek het net een boom.” Maar Daniëls was ook een tobber. „Hij was gedreven, maar ook vaak gestresst en zeer vatbaar voor kritiek”, vertelt Van den Boogerd. „In 1987 verliet René zijn geboorteplaats Eindhoven om in Amsterdam te gaan wonen, maar hij bleef twijfelen of hij daar wel goed aan had gedaan. Over dat dilemma schilderde hij het werk Zig-Zag Zigzag, met in de linker onderhoek de woorden ‘Eindhoven niet Eindhoven’.”

Na de hersenbloeding werd Daniëls wilsonbekwaam verklaard en onder curatele gesteld. Kort daarop werd de Stichting René Daniëls in het leven geroepen, in eerste instantie om diens werk te beheren. Schilderijen die zich nog bij zijn galeriehouder Paul Andriesse bevonden werden teruggehaald, en alle werken die in het atelier waren achtergebleven veiliggesteld. In totaal draagt de stichting zorg over honderden tekeningen, grafiek, een paar objecten en tientallen schilderijen, waaronder een aantal onaffe doeken die in het atelier stonden op het moment dat Daniëls ziek werd. Op dit moment bevindt de collectie zich in het depot van het Van Abbemuseum, waar twee kunsthistorici het oeuvre in kaart hebben gebracht en al het werk gefotografeerd en gedigitaliseerd wordt.

In principe wil de stichting het werk zoveel mogelijk bij elkaar houden, maar er zijn plannen om in de nabije toekomst bij hoge uitzondering iets te verkopen. De baten zullen dan ten goede komen aan René Daniëls zelf. „Het belangrijkste is dat het werk op de juiste plekken terechtkomt”, zegt Marleen Gijsen, voorzitter van de Stichting René Daniëls en ex-partner van de schilder. „Wij proberen contact te leggen met belangrijke internationale musea, of met musea die al werk van hem hebben.”

Het kunstenaarschap van

René Daniëls heeft in twintig jaar tijd een welhaast mythische status gekregen. In Nederland is zijn roem eigenlijk alleen vergelijkbaar met die van Bas Jan Ader, de kunstenaar die in 1975 op 33-jarige leeftijd vermist raakte tijdens een zeereis en wiens oeuvre net zo abrupt werd afgebroken. Wat bijdraagt aan de mythevorming is het feit dat Daniëls zich zelden over zijn eigen werk heeft uitgelaten. Toen hij nog gezond was gaf hij nauwelijks interviews. Nu kan hij door zijn ziekte waarschijnlijk nooit meer vertellen wat hem destijds gedreven heeft.

Door collega-kunstenaars werd Daniëls al op handen gedragen, maar het is opvallend dat nu ook een nieuwe generatie kunstenaars zichtbaar wordt die sterk door zijn werk beïnvloed is. Nederlandse kunstenaars als Erik van Lieshout, Han Schuil en Sara van der Heide laten zien dat zij schatplichtig aan hem zijn. De Poolse schilder Wilhelm Sasnal is een bewonderaar omdat Daniëls werk volgens hem ‘iets lelijks heeft, en dat is vrij zeldzaam in de hedendaagse schilderkunst’.

Op een druk bezochte lezing in kunstcentrum Witte de With vertelde Dominic van den Boogerd vorige week dat Daniëls’ werk nu een inspiratiebron is voor met name Oost-Duitse schilders als Thomas Scheibitz, Eberhard Havekost en Matthias Weischer. „Havekost vertelde me dat ze tijdens hun academiejaren ellenlange discussies voerden over Daniëls’ werk, dat ze alleen kenden uit catalogi. En Matthias Weischer, die nu een solo in het Haags Gemeentemuseum heeft, wilde in Den Haag dolgraag de schilderijen van Daniëls bekijken in het depot.” Wie het werk van Weischer bekijkt, ziet onmiddellijk de overeenkomsten: ook hij is gefascineerd door interieurs, en soms herken je in zijn composities zelfs het beroemde ‘Daniëls-strikje’.

De Stichting René Daniëls probeert de internationale belangstelling voor zijn werk te stimuleren, onder meer door het entameren van tentoonstellingen. Op dit moment wordt er gepraat met de Londense White Cube Gallery, die het werk van Daniëls wil tonen in combinatie met jonge Britse schilders. „We worden geholpen door het feit dat de schilderkunst nu weer razend populair is”, vertelt Jaap Guldemond, conservator bij Museum Boijmans Van Beuningen en bestuurslid van de Stichting René Daniëls. Volgens Guldemond is het oeuvre van Daniëls nog altijd actueel. „Laatst zag ik het werk weer bij elkaar in De Pont en was ik weer verrast. Het ziet eruit alsof het gisteren gemaakt is, zo fris. De meeste kunstenaars zeggen met hun werk iets over de tijd waarin ze leven. Maar een echt goede kunstenaar zegt ook nog iets over de tijd als die tijd allang voorbij is. Dat geldt voor René. Zijn werk zegt iets over hemzelf, maar het levert bijvoorbeeld ook kritiek op de kunstwereld. En dan zitten er nog al die schilderkunstige lagen in. Je kunt de ultieme analyse haast niet maken.”

Er zit geen stof op zijn verhaal, zegt ook Joop Roes. „Het blijft eigentijds.”

Sinds een jaar of twee woont

Daniëls weer in het huis in Eindhoven waar hij vroeger met Marleen Gijsen samenwoonde. Hij tekent en schildert weer, en hij gaat op de fiets naar tentoonstellingen in de buurt. „Hij heeft het naar zijn zin”, ziet Gijsen, die nu bij hem in de buurt woont en hem dagelijks opzoekt. „Het zelfstandig wonen gaat goed, waarschijnlijk doordat het huis zo vertrouwd is. Hij heeft nu eindelijk weer een eigen plek om te werken.”

Enkele van die nieuwe tekeningen en schilderijen waren vorig jaar te zien in De Pont. Een unicum, want tot nu toe was de gangbare opvatting dat het oeuvre van Daniëls was afgerond op het moment van de hersenbloeding. Daarom waren er op het grote René Daniëls retrospectief dat het Van Abbemuseum in 1998 organiseerde alleen werken van vóór 1987 te zien. „We laten de ontwikkeling van zijn oeuvre zien”, zei Van Abbe-directeur Jan Debbaut destijds. „En ik vind dat zijn huidige tekeningen daar niets aan toevoegen.”

In De Pont was één van de zaaltjes vrijgemaakt voor nieuw werk. Daar hing bijvoorbeeld de nieuwe serie Film, een reeks van dertien kleine doekjes (10 x 10 cm.) die met behulp van de spuitbus gemaakt waren. Het leek of Daniëls voortborduurde op zijn bekende onderwerpen – vlinderdasjes, bloesemtakken - zonder daar veel aan toe te voegen. „René wilde zijn nieuwe werk nu zelf graag laten zien”, vertelt Jaap Guldemond, die vindt dat je aan het nieuwe werk kunt aflezen dat Daniëls nog tot veel in staat is. „Dus hebben wij daar als stichting toestemming voor gegeven. Hij heeft de tentoonstelling in De Pont ook zelf mee helpen inrichten.”

Joop Roes zegt Daniëls’ oude handschrift nog wel te herkennen in de nieuwe tekeningen. „Hij is veel bezig met heavy onderwerpen als oorlog. Hij was altijd al wat zwaar op de hand. En hij is nog steeds dol op dubbelzinnigheden. Hij schrijft ook weer losse woorden op. Ik heb hem altijd een taalsterke kunstenaar gevonden. ”

Dominic van den Boogerd vindt het moeilijk om de nieuwe tekeningen op waarde te schatten. „Ze zijn heel klein, en bijna kleurloos”, zegt hij. En een beetje krampachtig getekend, in een graffiti-achtige stijl die doet denken aan Basquiat. René tekent nu met zijn linkerhand, zijn vroegere schildershand kan hij niet meer gebruiken. Of het kunst is doet er eigenlijk niet toe. Het belangrijkste is dat hij het leuk vindt om te doen.”

Marleen Gijsen is stelliger: “Het is duidelijk werk van René”, zegt ze, „maar wel van een ander niveau dan het oude werk. Zijn wereld was toen veel groter. Ontwikkelingen in de kunstwereld, de wereldproblematiek – alles kwam bij hem binnen en werd zichtbaar in die schilderijen. Nu beperkt zijn wereld zich tot zijn eigen omgeving. Dat is een verschil. Ook zijn schilderstijl is veranderd, hij mist de vaardigheid van toen. Maar dat associatieve zit er nog steeds in.”

Gijsen merkt wel, vertelt ze, dat Daniëls gefrustreerd raakt als hij weer veel met zijn oude werk geconfronteerd wordt, zoals laatst tijdens de tentoonstelling in De Pont. „Hij beseft dan dat hij niet meer kan wat hij vroeger kon.”

Maar het succes is ook een troost. Soms, zegt Gijsen, „vraag ik me af wat er met René gebeurd zou zijn als hij niet al die erkenning had gekregen. Als hij na zijn hersenbloeding roemloos vergeten zou zijn. Nu weet hij tenminste wat zijn achtergrond is. Als er weer eens een artikel over hem verschijnt, lees ik het hem voor. Dat maakt hem blij.”