Arabisch offensief tegen satelliet

Arabische satellietzenders onttrokken zich aan de greep van de Arabische regimes. Het is tijd voor tegenmaatregelen, vinden de regimes.

De meeste Arabische regimes hebben al wel eens maatregelen genomen tegen Arabische satellietzenders die onwelgevallige informatie verspreiden, bijvoorbeeld door oppositievertegenwoordigers op het scherm aan het woord te laten. Ze houden eens een correspondent aan of wijzen hem uit; een bureau wordt een tijdje gesloten. Met name Al-Jazeera is ermee geconfronteerd.

Maar het zijn geen structurele maatregelen; de zenders verplaatsen hun verslaggevers naar het buurland en blijven gewoon hun omstreden uitzendingen uitzenden.

Het leek erop alsof de Arabische heersers definitief hun greep op een belangrijk deel van de massamedia – er zijn honderden satellietzenders, een deel met particulier geld, andere met overheidsgeld gefinancierd – hadden verloren. De Arabische burgers kregen een heel ander beeld van de werkelijkheid dan de versteende staatspers hun voorzette. Persvrijheid gloorde.

Leek het. De Arabische leiders zijn in het tegenoffensief gegaan. Op instigatie van Egypte en Saoedi-Arabië aanvaardden de Arabische ministers van Informatie deze week in Kairo een serie regels waaraan de Arabische satellietzenders zich voortaan moeten houden. Zo niet, dan kunnen de deelnemende landen de vergunningen van de zenders die de regels schenden bevriezen of helemaal intrekken. Het document roept de lidstaten op alle noodzakelijke maatregelen in hun nationale wetgeving te verankeren opdat de regels ten volle kunnen worden toegepast.

Alleen Qatar, thuisbasis en financier van de moeder van de Arabische satellietzenders, Al-Jazeera, en het relatief open Libanon doen „op dit moment” niet mee. Daarentegen zei de Egyptische minister van Informatie, Anas al-Fiqi, dat Egypte „de eerste zal zijn die het document van Kairo uitvoert”. Fiqi: „Sommige satellietzenders zijn afgedwaald van het correcte pad”.

De nieuwe regels laten de zenders niet veel ruimte meer. Ze worden gemaand om:

de leiders of nationale en religieuze symbolen van Arabische landen niet te beledigen;

sociale harmonie, nationale eenheid, openbare orde of traditionele waarden niet te beschadigen;

niets uit te zenden dat God, de monotheïstische godsdiensten, de profeten, sekten of symbolen van de verschillende religieuze gemeenschappen in twijfel trekt;

geen erotisch of obsceen materiaal uit te zenden dan wel programma’s die roken of alcoholgebruik aanmoedigen, en

de Arabische identiteit te beschermen tegen de schadelijke effecten van globalisering.

Kortom, ongeveer de regels die al gelden voor de nationale media, op grond waarvan overal in de Arabische wereld journalisten vastzitten.

Volgens het in Kairo gevestigde Arabisch Netwerk voor Mensenrechten Informatie (HRINFO) is het geen toeval dat het initiatief tot het document van Egypte en Saoedi-Arabië is gekomen, „die zich elke inspanning getroosten om alle oproepen tot democratie en hervorming te verstikken”. In Egypte zijn het afgelopen jaar verscheidene hoofdredacteuren van bladen vervolgd wegens belediging van het staatshoofd en vier tot gevangenisstraffen veroordeeld. Ook bloggers zijn gevangen gezet. In Saoedi-Arabië, waar de media juist iets meer ruimte leek te worden gegeven, werd eind vorig jaar de bekendste politieke blogger, Fouad Farhan, opgepakt. Hij zit nog steeds vast.

De onafhankelijke mediawaakhond Article 19 noemde het Arabische document „een belangrijke tegenslag” voor de persvrijheid in de Arabische wereld. „Ze proberen te muilkorven wat de belangrijkste bron van onafhankelijk nieuws en informatie is geworden voor miljoenen mensen in de regio.” De Internationale Federatie van Journalisten op haar beurt sprak van „een rampzalige ontwikkeling terwijl juist dringend behoefte is aan een vrije informatiestroom en beter begrip tussen naties”. „Het is schokkend dat deze regeringen een charter hebben ondertekend dat de beginselen van inmenging en censuur bevestigen.”