Amsterdam blijft bij de iep

Op iepensafari in de hoofdstad. Aflevering in een serie over bekende en onbekende bomen.

In Amsterdam, op de fiets langs de grachten. Iepensafari met Hans Kaljee (48), de stedelijke bomenconsulent. Heel leerzaam.

Hij wees me op een fenomeen dat me nooit zo was opgevallen: de grootste bomen staan daar waar de kade even omhoog gaat voor een brug. Daar hebben ze boven het grondwater net wat meer aarde ter beschikking. Zo zie je de lange golfbeweging van de kademuren versterkt terug in de hoogte van de bomen.

Van de 75.000 Amsterdamse iepen staan er 5.000 in het centrum. Het betreft hier vooral de Hollandse iep, de iep met zijn wonderlijke transparante kroon, de iep die dit stadsdeel ’s zomers zijn speels-groene aanzien geeft.

De stad besteedt jaarlijks 900.000 euro om haar iepenbestand te onderhouden. Dat is voor een groot deel de prijs van de iepziekte. Opsporen en vernietigen, een dure maar effectieve operatie. „Al met al”, zei Kaljee, „hoeven er van de iepen in het centrum elk jaar maar een stuk of vijf gekapt te worden.”

De ziekte wordt verspreid door de iepenspintkever. Deze zit als larf in verzwakte bomen of zelfs al dood hout en vliegt in juni uit. Hij wordt dan aangetrokken door de sterkst geurende iepen, juist die met de krachtigste sapstromen dus. Hij werkt zich, puur om wat te eten te hebben, naar binnen in de oksel van jonge loten en dat is op zichzelf zo erg niet, maar hij heeft een schimmel bij zich die een fatale infectie veroorzaakt. Om de aantasting in te dammen sluit de boom zijn bastvaten af, waarna de kroon boven de versperring afsterft. De schimmel is er echter al voorbij. De boom is gedwongen steeds meer compartimenten dicht te gooien en gaat ten onder. Zelfs als hij direct na de eerste verschijnselen wordt gekapt, kunnen de bomen waarmee hij wortelcontact heeft ook al besmet zijn.

Opsporen en vernietigen – het klinkt als een militaire operatie. In de praktijk heeft Amsterdam de hele zomer een mannetje rondfietsen om de iepen, ook die in achtertuinen en op begraafplaatsen, in de gaten te houden. Onophoudelijk speurt hij in hun kronen naar die ene tak met verdorde blaadjes waarmee het begint.

De iepziekte werd voor het eerst geconstateerd in 1919. Kort daarna begonnen er kruisingsproeven om resistente variëteiten te ontwikkelen. Maar sinds 1976 bestaat er ook een nieuwe variëteit van de ziekte, een waarop de iep nog heftiger reageert – werkelijk alsof hij op het eerste signaal de hand al aan zichzelf slaat.

„Langs de grachten”, zei Kaljee, „hebben we veel Ulmus ‘Dodoens’ geplant. Die voldoet behoorlijk. Maar hij heeft toch niet de bijzondere takopbouw van de Hollandse. Ze staan erbij als bezems. Nu ja, de oudste zijn pas dertig jaar. Er is nog hoop dat ze nog een beetje uitzakken.”

Intussen waren we gevorderd tot de Herengracht ter hoogte van de Arbeiderspers (een ander zou misschien zeggen: het Bijbels Museum, maar ja, mijn eigen uitgever). Daar is de kade pas gerenoveerd. De oude iepen zijn vervangen door ongeveer tienjarige exemplaren van een Amerikaanse cultivar, New Horizon. Een investering van pakweg 2000 euro per groeiplaats.

„Maar ze zullen”, zei Kaljee, „nooit zo groot worden als die er stonden.” Omdat, onder het plaveisel, hun ruimte verder werd beperkt ter bescherming van de riolering.

En in het zadel maar weer. Via Leidseplein en Vondelpark (overal viel wel wat te zien, wel wat te vertellen) naar Oud-Zuid. Iepen van een heel ander type, de monumentaaliep, zuilvormig, bijna als Italiaanse populier. Extreem gevoelig voor de iepziekte, maar onlosmakelijk verbonden met de stedebouwkundige inzichten van Berlage.

„Zelfs die”, zei Kaljee, „planten we nog wel eens aan.” Want ja, je kunt van alles proberen, en er is ook van alles geprobeerd, maar voor Amsterdam is geen boom geschikter dan de iep. Alleen de iep kan, bij alle problemen die een stad toch al oplevert, uit de voeten met zo’n slappe bodem, zo’n hoge grondwaterstand. Oersterk. Op die ene zwakte na.

Koos van Zomeren