Verminkte Apollo

Gek dat er in zo’n gat, zo’n petieterig gehucht, waar je zou verwachten dat iedereen bij elkaar op schoot zit, nog zoveel figuren rondlopen die schimmig blijven. Niemand weet het fijne van ze. Ze slagen er in binnen de kleine speeltuin randfiguren te blijven. Allereerst de oude garde van de grote huizen, voor wie afstandelijkheid een tweede natuur is. Maar er zwerven ook boerenjongens en boerenmeiden langs de straat, wier ouders overleden zijn of onbekend, en die hun eigen gang gaan. Ze slapen ergens in een opkamer of bijschuur, komen trouw opdagen bij collectieve klussen als de wijnpluk of de olijfoogst, maar verder weet je niet bij wie ze horen of wat er ooit van ze worden moet.

Er is altijd wel iemand in de buurt die ze oom noemen of neef, maar van die oom of neef word je niet veel wijzer.

Tot drie keer toe kwam het de afgelopen jaren voor dat er in het dorp een oudje overleed van wie geen mens wist dat-ie nog leefde. Op een dag drong er een walm door de kieren en ze troffen een man aan die al tijden dood op een baal stro lag. Zelfs de buren schrokken ervan, omdat ze hem glad waren vergeten. Het oudje was na de dood van zijn zuster, tien jaar eerder, nooit meer gesignaleerd. Men dacht dat hij bij zijn andere zuster was ingetrokken, in de Alentejo.

Bispo dois, de tuinjongen van het Grote Huis, is wel de afzijdigste van allen.

Al lijkt hij ze niet allemaal op een rijtje te hebben, hij is niet de zoveelste gek die in elk dorp onvermijdelijk is, net als het oude wijfje met de takkenbos en de goedgelovige buitenlander.

De meesten die er debiel uitzien blijken bij nadere kennismaking nog debieler dan je vreesde. ’t Komt ook voor, zij het zelden, dat iemand er alleen maar debiel uitziet. Maak je hem een poosje mee, dan is ’t gewoon een pientere jongen.

Bij Bispo dois duurt het wel een tijdje voor je doorhebt dat-ie pienter is. Je moet de verpletterend domme indruk die hij maakt overwinnen. Er is iets met de stand van zijn ogen. En met het achteruitwijken van zijn kin. En met zijn flaporen. Het zit hem niet mee.

Dat veel dorpelingen er nooit achter zijn gekomen dat er aan zijn hersens niets mankeert ligt, vermoed ik, aan het feit dat hij flink misbruik maakt van zijn scheve kop. Hij houdt de medemens graag van het lijf. Hij vindt de dorpelingen dodelijk achterlijk. Ze behandelen hem maar als een bloedje. Alleen de meisjes duldt hij om zich heen. En de meisjes mogen hem wel. Het helpt enorm dat er onder zijn erfelijk belaste kop een prachtig lichaam zit.

Ik heb hem op een dorpsfeest eens zien meehelpen met het rondbrengen van de borden en de kannen met wijn. Hij droeg een gesteven broek en een colbert, waaronder een wit hemd met opstaande kraag. Vraag me niet waar hij voor die ene keer dat prachtkostuum vandaan had. Hij schepte er duidelijk behagen in dat iedereen hem verbaasd bekeek. Het colbertje zat iets te krap, maar alla. Zijn achteloze routine maakte alles meer dan goed.

Gerrit Komrij