Rozig wensdenken

Het was geen goede week voor het Nederlandse zelfbeeld in de Europese politieke ruimte. Eerst levert Parijs scherpe kritiek op het Haagse tekortschieten bij het beschermen van Ayaan Hirsi Ali. En dan kiepert de Raad van Europa vanuit Straatsburg een lading verwijten over Nederland uit over discriminatie en racisme. In het bijzonder over het verschijnsel islamfobie, dat hier gemeengoed zou zijn.

Dit rapport van de Europese commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI), een orgaan van de Raad, bevat op zichzelf veel leerzaams. Het houdt alle deelnemers aan het publieke debat na 9/11, na Fortuyn en na Van Gogh een spiegel voor. Er is hier de afgelopen jaren veel retoriek over tafel gegaan, op hoge toon en met weinig respect voor andermans overtuigingen, ook religieuze. Daarbij zijn grenzen overschreden en gevoelens gekwetst. Maar het debat speelde zich doorgaans af binnen de normen die in een liberale rechtsstaat gelden.

Het rapport legt de vinger op een aantal zere plekken, in het bijzonder in het vreemdelingenbeleid, de segregatie op scholen en de discriminatie op de arbeidsmarkt. De kritiek op het optreden van de politie, waarbij aanhouden of fouilleren op basis van etniciteit gewoonte schijnt te zijn, komt hard aan. Net als de geconstateerde gebrekkige opsporing van misdrijven waarvoor rassenhaat motief was.

Tegelijk is het rapport ook zélf een deel van het probleem. Het is lang geleden dat er een analyse verscheen die zo sterk het rozige multiculturele wensdenken weerspiegelde. Ook dit idealisme is een relevante politieke bijdrage aan het eenzijdig gevoerde debat van de laatste jaren. Maar het doet toch achterhaald aan. In het rapport is sprake van een nauw verholen wens om radicale politici te vervolgen. Van het maar liever weer beperken van versnelde asielprocedures. Van het „aanpakken” van het „integratietekort” bij de autochtone bevolking, die onvoldoende respect voor verscheidenheid en te weinig kennis van verschillende culturen en waarden zou hebben. Zulke geharnaste bevlogenheid doet vreemd aan nu in Nederland het taboe op het benoemen van criminaliteit en werkloosheid onder allochtonen gelukkig is doorbroken.

De Commissie is ten onrechte kritisch over de verplichte inburgeringscursussen en andere maatregelen waar een zekere dwang uit spreekt. Daarin ziet zij een verlangen om minderheden te straffen of uit te sluiten. Althans om „reële of vermeende” tekortkomingen bij hen aan te pakken, die „buiten proportioneel” zijn benadrukt. Met zulke observaties bewijst Straatsburg mentaal vrij ver hiervandaan te liggen. Het beleid in onze rivierendelta is terecht van koers veranderd. Het minderhedendebat moet open worden gevoerd en tekortkomingen worden benoemd. In een nuchter vreemdelingenbeleid is plaats voor verplichtingen. Wie zich een veilig en welvarend multi-etnisch Nederland droomde zonder tegenstellingen, is al jaren van een koude kermis thuis. Het knuffelen is, terecht, voorbij.