Papiervisje

Druk je ze fijn heb je stof. Hebben ze opdracht onze informatie te stelen? Een computervirus is niks bij deze prehistorische krengen.

Vergankelijkheid is milieuvriendelijk en ruimtesparend. Dus leve de vergankelijkheid – maar niet nu al, onder mijn blote ogen! Sinds de vaststelling van premature vergankelijkheid in mijn nieuwbouwflat, leef ik in staat van oorlog. Mijn vijand opereert in het donker, de gluiperd. Papiervisje heet hij, met een verkleining die aan kleurrijk origami doet denken. Maar een gevouwen lotusbloem is voor hem een croissant; een smakelijke afwisseling van zijn dagelijkse kost die van mij is.

Ik maak aantekeningen in een personal not book. Valt er een boodschappenlijstje op de grond, dan zijn er tegen de tijd dat ik het opraap essentiële letters afgeschraapt.

la ; elk ; b ood ; aas ; lijven

Kennis is macht. Ik zoek hem op in het oordenb ek van an Dal . Onvindbaar. Hij heeft zichzelf weggevreten, als een cirkelronde slang! Niet te vroeg juichen, an Dal – met een schat aan woorden te verliezen – past de techniek van het negeren toe: ze bestaan niet, die kleine maar zichtbare wortelvormige mutaties met zowel voor (twee) als achter (drie) voelsprieten.

Hadden ze maar meer last van de zwaartekracht, konden ze maar niet ondersteboven via mijn plafond van A (archief van artikelen en ansichtkaarten) naar B (boeken) lopen. Als het beleg op is, beginnen ze aan het brood. Met als gevolg rafels, kwetsbare dunne plekken en gaten in pagina’s, tekeningen en lieve briefjes. In albums, bladmuziek, ingelijste etsen – in alles waar maar een snipper papier in zit. Zelfs het verleden van mijn kind wordt door die ellendelingen opgevreten.

Een computervirus is niets vergeleken bij deze lijfelijk aanwezige, prehistorische krengen. Ze hadden al vóór de dodo en de dinosaurus uitgestorven moeten zijn. Druk je ze fijn dan heb je stof. Is stof niet het ultieme woord voor vergankelijkheid? Als ze uit stof bestaan, waarom lopen, groeien, en vooral: waarom eten ze dan nog? Is dit een delegatie buitenaardse wezens met de opdracht onze vastgelegde informatie letterlijk tot zich te nemen? Zenden ze al die opgevreten teksten via hun sprietantennes naar de thuisbasis? „Hallo... hier operatie aarde... over.”

Internet is nog weerzinwekkender: „Ze kunnen drie jaar oud worden.” En: „Twee keer per dag alle plinten stofzuigen.”

Chemische behandeling is mogelijk, melden chemische behandelaars. Ter voorbereiding moeten kook- en eetgerei, voedsel, speelgoed, bewoners en huisdieren naar buiten, waarna de gehele woning wordt vergiftigd om de papiervisjesplaag tijdelijk te stoppen. „Tijdelijk” zit dichter bij ‘nu’ dan bij „eeuwig”. Bovendien is het de vraag of stof met gif valt te verdelgen.

Er is een natuurlijke bestrijder. Bewoners van pas opgeleverde vinexwijken: koester uw spinnen! Denk, wanneer u een web tegen uw wang voelt, aan uw geliefde boeken. De spin is uw vriend!

En we hebben de potjes. Alsof het een scheikundig proefje betreft, wat het in wezen ook is (hoe vang je de vergankelijkheid in een jampot?): wikkel papier om een lege jampot, sla het drie centimeter om de hals naar binnen, leg een stuk aardappel op de bodem en zet de pot daar waar nodig. Ofwel: zet uw huis vol met deze vallen. Papiervisjesvallen.

Het beest bespeurt zetmeel, gaat erop af, schraapt zich omhoog, stort zich op de aardappel en kan de gladde pot niet meer uit. Dan is het rondjes rennen geblazen, samen met de soortgenoten die zich al snel in een opportunistische vraatzucht op dezelfde aardappel werpen – uren, weken, maximaal drie jaar lang rondjes rennen. Want waar laat je zo’n rondjesrennende massa? De stofzuiger is hun baarmoeder, de vuilnisbak hun couveuse.

Al kan het, naast afgrijzen, veel voldoening geven zo’n jampot te inspecteren, het gaat slechts om symptoombestrijding. In schoenendozen, achter een losgeraakt randje behang, onder richels; onzichtbaar verstopt ligt een ontelbare hoeveelheid eitjes waar evenzoveel papiervisjesjonkies uit zullen kruipen die instinctief weten waar ze wezen moeten: in mijn boeken!

Vandaar dat ik groot voorstander ben van virtueel papier. Wat mij betreft alle boeken digitaal. Alle kranten en tijdschriften, kassabonnen, postzegels, enveloppen, etiketten, schoolschriften, verfafdrukken van babyvoetjes, verhuisdozen, oosterse lampenkappen, toiletpapier – álles digitaal. We laten ons niet klein krijgen door zo’n onderkruipsel. Wie is er slimmer, een insect of de moderne mens? Wie moet hier het onderspit delven, de beestje met voelsprieten of de huidzak met hersens? Wat zal winnen, stof of water?