Onderwijsexcessen

Hoewel de meeste conclusies over de rampzalige beleidsoverproductie voor het middelbaar onderwijs al ruimschoots bekend zijn, heeft de commissie parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen nuttig werk verricht. Omdat de Tweede Kamer de onbezonnen vernieuwingen bij onwillige onderwijsinstellingen heeft gefiatteerd, was dit zelfonderzoek hard nodig. De politieke meerderheden die de haastige voorstellen doorvoerden, hebben de schade aan zichzelf te wijten en vooral zij moeten daarom de conclusies ter harte nemen.

De nadelen van drie grootscheepse reorganisaties binnen tien jaar in het middelbare onderwijs zijn al bij de invoering uitgemeten. Maar er moesten compromissen worden gesloten en afspraken worden uitgevoerd. En als het beleid om meer gelijke kansen te scheppen in het onderwijs niet aansloot op de feiten, dan was dat jammer voor de feiten. Twee staatssecretarissen, Wallage (PvdA) en Netelenbos (PvdA), drukten ideologisch gemotiveerde hervormingen door. Twee ministers, Van der Hoeven (CDA) en Hermans (VVD), negeerden tekenen dat het onderwijsniveau daalde. Met de kwetsbaarste leerlingen, die baat moesten hebben bij de vernieuwingen, werden juist de grootste risico’s genomen.

Twee hervormingen, de basisvorming en de tweede fase, zijn inmiddels geheel of gedeeltelijk teruggedraaid. De basisvorming, waarbij leerlingen in de eerste drie klassen van alle typen middelbare scholen dezelfde veertien vakken kregen, is opgeheven. De tweede fase, die meer structuur aanbracht in de vele mogelijke vakkenpakketten in de bovenbouw, is versoepeld. Tegelijkertijd oefende de overheid druk uit om het zelfstandige nieuwe leren door te voeren, terwijl ze zei dat dit niet verplicht was. Een derde hervorming, de fusie van verscheidene schooltypen tot het vmbo, is goeddeels intact gebleven, dankzij de inventiviteit van de leraren.

De beschreven onderwijsvernieuwingen zijn een exces van het poldermodel. Het overleg tussen politici en middenveld speelde zich af zonder de ouders, leraren en leerlingen die hadden moeten worden vertegenwoordigd. Er werden plannen bedacht waar niemand om had gevraagd. Dat moet niet alleen politici, maar ook vertegenwoordigers van onderwijsorganisaties te denken geven.

Het onderwijspeil moet worden verbeterd. Dat kan door middel van scherper omschreven leerdoelen, zoals de commissie aanbeveelt. Maar ook de inspectie moet vaker zelf onderzoeken of de lessen goed zijn. Zo zijn er meer maatregelen te bedenken. Het belangrijkste is dat de politiek en het middenveld niet meer zo gemakkelijk over de mensen heen walsen die het moeten doen. Die uitvoerders zijn in de eerste plaats de leraren, aan wie nu – mede dankzij de beleidschaos – een tekort is. De belangrijkste aanbeveling is daarom dat regeerakkoorden voortaan niet zo gedetailleerd moeten zijn. Onderwijsbeleid wordt niet gemaakt voor politieke partijen, maar voor leraren, ouders en leerlingen.