Het onderwijs is bewust kapotgemaakt

Het is mooi dat de kaste van zelf aangewezen onderwijs hervormers publiekelijk is ontmaskerd. Maar oud-conrector Jan Blokker jr. betwijfelt of scholen zich nu veilig kunnen voelen.

De invoering van de Tweede Fase, een van die hervormingen waarnaar de commissie-Dijsselbloem onderzoek heeft verricht, heb ik van nabij meegemaakt. In 1999, het jaar waarin het studiehuis z’n deuren opende, was ik conrector van de bovenbouw op een toen nog niet zo groot gymnasium in Amsterdam, en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de invoering ervan.

Het ging om een samenhangend pakket veranderingen in de bovenbouw. De structuur van het onderwijs, maar vooral ook de didactiek moesten ingrijpend worden vernieuwd. De gedachte was dat de structurele hervormingen (gewijzigde lessentabellen, invoering van nieuwe vakken en vakkenpakketten, een nieuw toetsprogramma, een ander rooster) een nieuwe (en uiteraard betere) didactiek zouden afdwingen. Op de ouderwetse manier kónden wij eenvoudig niet meer blijven doceren. Ik kan mij niet herinneren dat in het hele proces ooit om onze mening is gevraagd; er werd overwegend op ons ingepraat.

Het rapport van de commissie brengt mij de periode tussen 1995 en ’99 weer in herinnering. Jaren van oeverloze vergaderingen, conferenties en symposia, rapporten, projecten, experimenten en netwerkbijeenkomsten. Jaren ook van stelselmatige ideologische propaganda.

Misschien wel de belangrijkste figuur in de propagandaoorlog was mevrouw Clan Visser ’t Hooft. Begin 1991 had ik al eens een bezoek gebracht aan de school waarvan zij op dat moment rector was, en waarvan gezegd werd dat het leerlingenaantal er na haar komst en door haar optreden exponentieel was gegroeid. Het onderwijs hadden ze er vrijwel geheel afgeschaft. Althans, de inbreng van de docent was teruggebracht tot een maximum van 5 minuten instructie; daarna moesten de leerlingen zelfstandig aan het werk, met vragen en antwoordvellen. De leraar liep tussen de rijen door en hielp hier en daar een kind dat daarom vroeg. En als er niemand geholpen wilde worden, dan zat hij of zij achter z’n bureautje en hield de administratie bij van het onderwijsproces. Er was geen mogelijkheid om af te wijken van het eenmaal vastgestelde jaarplan; alle lessen, van begin tot het eind van het jaar waren omschreven. Al brak ergens een oorlog uit, dan nog kon de geschiedenisleraar daaraan geen aandacht besteden, omdat het niet in de planning was voorzien.

De rector van die school werd later vice-voorzitster van het procesmanagement Voortgezet Onderwijs. Zij was de drijvende kracht achter de invoering van het studiehuis. Ik heb haar nog eens meegemaakt op een conferentie waar ze een zaal vol docenten en schoolleiders voorging in een ontspannende yogaoefening, die ze, naar ze ons verzekerde, ook regelmatig had toegepast aan het begin van vergaderingen met haar vroegere schoolleiding. Verbazend dat er niemand was die de zaal verliet, ook ik niet. Misschien nam ik het gevaar nog niet serieus, of ik dacht dat één dwaas nog niet betekende dat de hele hervormingsbeweging mallotig was.

Het rapport van de commissie- Dijsselbloem laat in een simpele opsomming van feiten zien hoe het onderwijs het slachtoffer is geworden van een meedogenloze groep sektariërs die meende de wijsheid in pacht te hebben en die nooit openstond voor een afwijkende zienswijze. De commissie spreekt over een „kleine en relatief gesloten beleidskring met het procesmanagement als middelpunt”. Critici werden bespot als ‘die zogenaamde’ intellectuelen, of ‘zogenaamde’ deskundigen. Telkens werd verwezen naar ‘recent wetenschappelijk onderzoek’, dat het gelijk van de vernieuwers zou aantonen. Er werd campagne gevoerd tegen het zittend personeel op scholen in het land. Docenten werden afgeschilderd als in wezen conservatief, verzuurd, wereldvreemd en vastgeroest in hun baantje. Klassikaal onderwijs was een scheldwoord geworden.

Op mijn school voerden we de Tweede Fase beleidsarm in, d.w.z. we voerden de nieuwe vakken in, een nieuwe urenverdeling, de vier profielen en een aantal uren zelfstandig werken onder begeleiding van een wisselende groep docenten. Wij verzekerden onze collega’s, en de leerlingen (die ons bezorgd vroegen of we nog wel gewoon verhalen zouden mogen vertellen) dat wij niet opeens iets anders zouden gaan doen dan waarvoor we waren opgeleid, namelijk lesgeven. Maar buiten de muren van de school klonk vanuit het Procesmanagement onophoudelijk een geheel ander geluid. Al die negatieve kwalificaties aan het adres van zittende docenten maakten hen boos, achterdochtig en onzeker.

De conclusies van het rapport van de commissie-Dijsselbloem geven een zekere genoegdoening: „Veel is opgevangen door grote betrokkenheid in de scholen zelf (…) Veel vernieuwingen werden zo goed en zo kwaad mogelijk ingepast door zeer betrokken onderwijspersoneel, dat steeds een groot verantwoordelijkheidsgevoel heeft getoond, ook wanneer draagvlak voor overheidsbeleid ontbrak.”

Het is mooi dat de kaste van zelf aangewezen hervormers publiekelijk wordt ontmaskerd. Maar de vraag is of scholen zich nu veilig kunnen voelen.

Ik ben daar niet gerust op. Het mag zo zijn dat de propagandisten van het studiehuis aan kritiek zijn komen bloot te staan, maar zij zijn er nog wel degelijk; ze hebben zich genesteld in diverse onderwijscommissies en -adviesbureaus. De commissie schrijft dat „met name het KPC en het APS zich in hun aanbod richting scholen als krachtige voortrekkers van verdere didactische vernieuwingen in de richting van het nieuwe leren [toonden].”

Ik moet de eerste sektariër nog ontmoeten die wil luisteren naar kritiek: op hen zal het rapport geen indruk maken, overtuigd als ze zijn van hun gelijk. Erger, het zal ze sterken in de overtuiging dat er nog altijd niet genoeg veranderd is. Ze zullen met verdubbelde energie hun werk voortzetten. Totdat ze gestopt worden.

In de afgelopen decennia heeft in het onderwijs een revolutie plaatsgevonden. Zoals bij de meeste revoluties is een restauratie, zo al mogelijk dan toch erg moeilijk. Het herstel zou moeten beginnen met de aanpak van onderwijsadviesbureaus en vooral ook van de lerarenopleidingen die geheel zijn overgenomen door adepten van het ‘nieuwe leren’. Wanneer die instituten niet hervormd worden, zal het rapport van de commissie-Dijsselbloem geen effect hebben.

Jan Blokker jr. was conrector van het Vossiusgymnasium in Amsterdam, later locatiedirecteur van de OSG Westfriesland in Hoorn. Sinds 2006 is hij freelance schrijver van historisch werk.