Bureaucratie en onkunde

Ondanks ambitieuze doelen komt duurzaam inkopen door de overheid traag op gang. Maar minister Cramer (VROM) gelooft in haar regie. „Wij hebben een enorme marktmacht.”

De aardgaspomp in Tilburg, een van de weinige in Nederland, van particulier uitbater Algemene Brandstoffen Compagnie. Foto’s Merlin Daleman Nederland, Tilburg, 31-01-08 Een vuilnisauto van de BAT tankt aardgas bij ABC. © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Bij het Wilhelminakanaal in Tilburg-Noord staat een aardgaspomp, één van de weinige aardgaspompen in Nederland. Dat automobilisten daar aardgas kunnen tanken is geen toeval: Tilburg is van alle gemeenten koploper ‘duurzaam’ inkopen. Zonder gemeentegarantie dat gemeentevoertuigen op het relatief schone aardgas gaan rijden, was het voor particulier uitbater Algemene Brandstoffen Compagnie te riskant geweest in de Tilburgse installatie te investeren. De directeur is nu een van de gemeentelijke ambassadeurs voor duurzaamheid [zie kader: ‘Tilburgs ambassadeur voor duurzaamheid’].

„Het is belangrijk dat mensen van duurzaamheid een sport maken”, zegt wethouder Marieke Moorman (Milieu, PvdA). Het aardgasproject kwam er, doordat een milieuambtenaar zich ervoor inzette.

Tilburg stimuleert duurzaamheid met uitgekiende financiële constructies. De recente winstuitkering van 13,5 miljoen euro van energiemaatschappij Essent – de gemeente is aandeelhouder – werd in een fonds gestort. Uit dit fonds worden energiezuinige investeringen in gemeentelijke bouwprojecten gefinancierd. De uitgespaarde energiekosten vloeien geleidelijk terug in dit revolving fund. „Daardoor ben je van die moeilijke politieke discussie over hoge aanvangsinvesteringen af”, zegt wethouder Moorman.

Tilburg hanteert ook het principe van total cost of ownership: niet alleen de aanschafprijs (bijvoorbeeld van spaarlampen) maar ook onderhoudskosten en energieverbruik tellen mee. Lang niet alle gemeenten doen dat. En bij zijn duurzaamheidsbeleid telt Tilburg sociale aspecten mee. Zo krijgen uitzendbureaus alleen opdrachten als ze langdurig werklozen in dienst hebben. De gemeente bespaart zo op bijstandsuitgaven.

Veel gemeenten profileren zich met duurzaam inkopen. Nieuwegein was de eerste die milieuaspecten meetelt bij de aanschaf van kantoormeubelen, zoals recyclebaarheid. Enschede afficheert zich als eerste ‘schoneklerengemeente’: bedrijfskleding moet voldoen aan milieu- en sociale criteria (geen kinderarbeid), gecontroleerd door Fair Wear Foundation (branche plus ngo’s). Niet elk bedrijf is er even gelukkig mee. Zo bepaalde de rechter tegen de zin van Douwe Egberts dat de provincie Groningen het recht heeft alleen koffie met keurmerk Max Havelaar te kopen.

Volgens een onderzoek van de samenwerkende milieuorganisaties (COS-Nederland) groeit het aantal goed presterende gemeenten (topdrie: Tilburg, Leeuwarden, Oss). Maar het overgrote deel van de 149 die aan het onderzoek meededen, eenderde van alle gemeenten, staat nog aan begin.

Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben ambitieuze doelstellingen geformuleerd die in 2010 moeten zijn gerealiseerd [zie kader: ‘Ambitieuze doelen’]. Daartoe werkt het overheidskenniscentrum SenterNovem aan zogeheten duurzaamheidcriteria voor 80 productgroepen (bijna alle) waarmee overheidsinkopers moeten gaan werken. De overheden kopen voor 40 miljard euro per jaar in, waarvan het Rijk voor 10 miljard. De belangen zijn enorm.

Het kabinet wil de markt voor duurzame producten versterken, beaamt minister Jacqueline Cramer (VROM, PvdA). „Maar het is altijd een kip-of-eikwestie. Je kunt proberen bedrijven aan te sporen tot innovatie richting duurzaamheid. Maar dan zeggen ze: allemaal mooi, maar we moeten wel afnemers hebben. Als overheden hebben we dan natuurlijk een enorme marktmacht.”

Cramer laat zich daarbij inspireren door wat men de toprunner-benadering noemt: „Dat betekent dat de standaard wordt bepaald door wat de koplopers nu kunnen. Dan krik je de zaken dus elke keer op.” Cramers voorganger Van Geel (CDA) beloofde dat de duurzaamheidscriteria er eind 2007 zouden zijn. Maar SenterNovem heeft pas voor 13 productgroepen criteria ontwikkeld. En dat zijn de gemakkelijkste, zoals voor de schoonmaakbranche en de catering.

„Door het bedrijfsleven er niet bij te betrekken werd snelheid verwacht, maar is de zaak juist vertraagd”, zegt beleidsadviseur Niels van Amstel van Bouwend Nederland. Hij onderstreept dat de bouwsector het overheidsstreven „ten volle” steunt . Volgens sommige bedrijfssectoren, zoals de ICT, mag SenterNovem de lat hoger leggen. Manager milieuzaken Jan Vlak van brancheorganisatie ICT-Office vindt „het ambitieniveau niet hoog”. Volgens Vlak voldoen de meeste fabrikanten bijvoorbeeld al aan de voorgestelde eis voor energiezuinigheid van ICT-apparatuur. „Dat maakt zo’n criterium leeg en voor fabrikanten weinig onderscheidend.”

De milieubeweging heeft soortgelijke kritiek. Voorzitter Mirjam de Rijk van Natuur en Milieu spreekt van een „bureaucratische” procedure, waarbij toch te veel naar belangen van gevestigde bedrijven en te weinig naar koplopers wordt gekeken.

Vlak van ICT-Office hekelt vooral de internetconsultatie. SenterNovem formuleert met hulp van onderzoeksbureaus conceptcriteria, waarna belanghebbenden via internet hun reactie kunnen geven. „Dan reageren we maar horen niks meer”, zegt Vlak. En directeur Jef Wintermans van textielbranchevereniging Modint zegt: „We vroegen of het behalve over het product ook niet over het productieproces moest gaan. Daar was helemaal niet over nagedacht.”

Ook marketingmanager Remon van Rijn van kantoormeubelbedrijf Ahrend – door de milieubeweging gezien als koploper in duurzaamheid – vindt dat het anders moet. „Bij conceptcriteria gaat het over certificering van materialen”, zegt hij. „Maar Ahrend biedt ook onderhoud en ontwerpt kantoormeubelen zo dat ze gemakkelijk uit elkaar zijn te halen met als doel levensduurverlenging. Daarover stond niks in die conceptcriteria. In het algemeen is er te weinig aandacht voor duurzaamheid over de hele levenscyclus.”

De helft van de overheidsinkoop betreft direct of indirect de bouwsector. Volgens Van Amstel van Bouwend Nederland leidt de werkwijze van VROM door de complexiteit van de bouw tot conceptcriteria die „nietszeggend, niet helder, te strikt of strijdig” zijn. Hij geeft een voorbeeld: „Een duurzaamheidseis voor een specifiek product bij een bouwproject leidt soms tot zoveel meer transport en dus milieubelasting dat je afvraagt waar je mee bezig bent.”

Volgens Van Amstel is het veel beter te kijken naar de hele levenscyclus van gebouwen, wegen en wijken: duurzaamheid in de hele gebruikfase van projecten wordt dan meegenomen. De bouw is er samen met lagere overheden al met succes mee bezig. Hij wijst ook op klimaatneutraal bouwen. Als je je te veel vastlegt op de criteria voor materialen, haal je de beweeglijkheid uit de innovatie weg, zegt hij.

Een VROM-woordvoerder zegt desgevraagd dat de werkwijze „wat is aangepast”. Maar dan nog wordt volgens Van Amstel van Bouwend Nederland „niet echt iets besproken”.

„Ik heb een paar prioriteiten en duurzaam inkopen is er één van”, zegt minister Cramer. Ze wil een strikt tijdschema aanhouden. Begin 2009 moeten alle criteria, zegt ze, klaar zijn. Anders haalt het kabinet de ambitieuze doelstellingen van 2010 niet.

„Ik wil het verantwoord doen in samenspraak met het bedrijfsleven, maar wel onder onze regie”, zegt Cramer. Dat betekent volgens haar dat er geen min of meer vrijblijvende convenanten worden afgesloten. „Want het is ónze zaak dat we duurzame inkopen doen”, zegt zij. En als partijen er dan toch niet uitkomen? Cramer: „Dan ga ik met hen rond de tafel zitten en dan moet je op een of ander manier een knoop doorhakken.”