Belang van politiek ging voor belang kind

Het is chaos in het onderwijs, zo constateert de commissie-Dijsselbloem.

En leerlingen zijn er de afgelopen twintig jaar de dupe van geworden.

De politiek heeft de afgelopen twintig jaar een potje gemaakt van het onderwijs. Het is aan de betrokkenheid en inzet van scholen te danken dat het onderwijs niet helemáál ten onder is gegaan.

Dat is in het kort de conclusie van de parlementaire commissie Onderwijsvernieuwingen die gisteren met haar eindrapport kwam.

Als het rapport één ding duidelijk maakt, is het dit: onderwijsvernieuwingen mogen nooit meer met zo veel tegelijk, op goed geluk, met weinig geld en nauwelijks draagvlak onder leraren, ouders en leerlingen worden ingevoerd.

En waren al die onderwijsvernieuwingen wel nodig? De overheid heeft de scholen de afgelopen twintig jaar gebombardeerd tot de oplossers van maatschappelijke problemen als schooluitval, sociale ongelijkheid en werkloosheid. Die problemen hadden volgens de commissie ook op andere manieren kunnen worden opgelost, bijvoorbeeld met arbeidsmarktbeleid. Met andere woorden: waarom is het onderwijs er eigenlijk mee lastiggevallen?

Het rapport toont aan dat de overheid de afgelopen twintig jaar precies deed wat ze níet had moeten doen; zich bemoeien met de manier waarop het onderwijs op scholen wordt gegeven. De taken die ze wel had, verzuimde ze: heldere eisen stellen aan wat kinderen moeten weten en kunnen.

Opeenvolgende bewindslieden bedachten plannen, sloten deals, oefenden druk uit en bereikten overeenstemming met belangengroepen die zelden de mening van hun achterban vertolkten. Aan leraren, ouders en leerlingen werd niets gevraagd.

Vervolgens ging alles mis. De vernieuwingen sloten slecht op elkaar aan. Op de basisschool moesten leerlingen bijvoorbeeld zelfstandiger leren werken, ieder op zijn eigen niveau. In de basisvorming kregen ze echter weer allemaal dezelfde lesstof. En in de tweede fase moesten leerlingen ineens weer zelfstandiger werken.

Weinig consistent, zo oordeelde de commissie. Bovendien waren de vernieuwingen vaak ideologisch alweer achterhaald op het moment dat ze werden ingevoerd.

Wie de verliezers zijn geworden, van al die vernieuwingen, is duidelijk: de leraren. Zij hadden geen inspraak in de vernieuwingen maar moesten ze wel in praktijk brengen.

Maar ook de leerlingen die minder goed konden leren, kregen het te verduren. Dat kwam vooral door de basisvorming van de PvdA, die gelijke kansen voor iedereen wilde. Leerlingen van alle niveaus moesten bij elkaar in de klas zitten. Opleidingen op een lager niveau, waarin meer met de handen gewerkt werd, werden verboden. De PvdA vreesde namelijk dat arbeiderskinderen daar dan massaal naar toe zouden worden gestuurd, en hun kans op hoger onderwijs zouden mislopen. Maar minder slimme leerlingen konden niet meekomen in die gewone klas. Dat leidde tot grote schooluitval in het vmbo. Ook werden signalen genegeerd dat de groep allochtone leerlingen, en hun problemen, sterk groeide.

De belangrijkste conclusie in het rapport gaat over ‘kerndoelen’. Daarin staat wat een leerling per niveau moet kunnen en weten. Bij de invoering van de basisvorming heeft de overheid zeer vage kerndoelen opgesteld, zoals: ‘de leerling dient op enig niveau Frans te beheersen’.

Dit gebrek aan helderheid bood educatieve uitgeverijen de mogelijkheid nieuwe dwingende lesmethodes voor te schrijven. Scholen hadden door alle vernieuwingen zelf immers geen tijd om lesmateriaal te maken. Ook allerlei onderwijsadviesbureaus sprongen in het vacuüm, door met groot succes de invoering van het nieuwe leren te bepleiten – een leervorm waarbij kinderen meer zelfstandig moeten leren. Wetenschappelijk bewijs voor dat nieuwe leren is er niet. En zo ging het ook met de andere vernieuwingen: ze werden ingevoerd zonder bewijs dat ze werkten.

Door het gebrek aan heldere kerndoelen weten we niet wat leerlingen de afgelopen vijftien jaar hebben geleerd. Scholen konden hier niet op worden gecontroleerd, omdat niet duidelijk was waaraan ze moesten voldoen. Tegelijk werden de scholen vogelvrij: ze konden zich niet verweren tegen de kritiek dat ze hun leerlingen te weinig leerden. Inmiddels is zeker dat het onderwijsniveau is gedaald.

Is er dan niet één lichtpuntje in het rapport? Ja, dat is er. De opmerking dat de vernieuwingen voor „een snellere vervanging van oude lesmaterialen” hebben gezorgd.

En er is ook een verrassing: het vmbo. In de publieke opinie heerst het idee dat het vmbo is mislukt, maar dat blijkt mee te vallen. De schooluitval neemt af en de doorstroom naar mbo en havo stijgt weer. Maar ook dit komt volgens de commissie vooral weer door de scholen zelf. De politiek heeft niet geholpen.

Die politiek wordt in het rapport dan ook niet gespaard: individuele bewindspersonen passeren de revue, vooral Tineke Netelenbos (PvdA). Om haar plannen erdoor te krijgen ging zij „forse drukmiddelen” niet uit de weg. Maar soms konden bewindslieden niet anders, zegt de commissie: zij moesten zich houden aan het regeerakkoord.

De ministers Hermans (VVD) en Van der Hoeven (CDA) heetten de bewindslieden te zijn die het onderwijs weer rust hebben gegeven na alle vernieuwingen. Maar zij hebben volgens de commissie het publiek misleid, door te zeggen dat het goed ging met het onderwijs terwijl er allerlei signalen waren dat het niveau daalde.

De commissie-Dijsselbloem doet aanbevelingen die al eerder zijn gedaan door bijvoorbeeld de Onderwijsraad. Een uitzondering is het advies over de lesurennorm, die nu op 1.040 lesuren per jaar staat. Die norm moet anders, vindt de commissie.

Enfin. De politiek heeft het onderwijs in een diep dal gestort, dat staat nu vast. De weg naar boven is lang.

Rectificatie / Gerectificeerd

correcties en aanvullingen

Niet alle bewindslieden op de geënsceneerde foto bij het artikel Belang van politiek ging voor belang kind (donderdag 13 februari, pagina 4 en 5) waren minister van Onderwijs, zoals het bijschrift ten onrechte vermeldt. Zowel Jacques Wallage als Tineke Netelenbos waren staatssecretaris van Onderwijs.