Auto’s

Nadat ik het hoofdgebouw van Paleis Het Loo in Apeldoorn had verlaten, kwam ik op weg naar de uitgang in de buurt van de stallen en de koetshuizen. Ik was daar nog nooit geweest en besloot er een kijkje te nemen. Het was er doodstil, de weinige toeristen op deze mooie februarimiddag waren al vertrokken.

Ik liep door een brede hoge ruimte naar het achtergedeelte van een koetshuis, waarvan de deuren openstonden. Verbaasd bleef ik op de drempel staan. Voor mij stond de zonderlingste verzameling auto’s en wagentjes die ik ooit had gezien.

Rechts stonden twee vreemde, uit ijzer en glas bestaande constructies, ‘anti-gas kinderwagens’ genaamd. Ze stamden volgens een bordje uit 1940 en waren bestemd geweest voor de prinsesjes Beatrix en Irene. Verder geen uitleg. De bedoeling was kennelijk geweest de kinderen te beschermen bij eventuele gasaanvallen. Hun hoofden konden achter glas verborgen worden en het vele ijzer moest de lichamen afschermen.

Waren deze unieke kinderwagens ooit in de oorlog gebruikt, in Londen misschien?

Nee, verzekerde een conservator van Het Loo me later. De firma Kiekens uit Almelo had de kinderwagens in 1939 gefabriceerd, maar ze hadden Paleis Het Loo nooit verlaten.

Helemaal links stond een indrukwekkende Mercedes-Benz 300 Cabriolet D. uit 1953, de auto van Wilhelmina vijf jaar na haar troonsafstand. Ik las ergens dat zij tijdens de watersnood van 1953 nog enkele malen in het openbaar was opgetreden, niet per fiets, maar per auto. Zou dat met deze, qua dominantie zeer bij haar passende, auto zijn geweest?

Ik kreeg een lesje autogeschiedenis. Naast deze Mercedes verrees een antieke, hoge, koetsachtige auto, een Winslow Six Limousine Landaulette uit 1924. Hij was van koningin Emma, de moeder van Wilhelmina, geweest. Vergeleken met die Mercedes uit 1953 leek het een relict uit de prehistorie.

Ik liet mijn ogen verder dwalen en kreeg een schokje. Hé, die groene, brede, lage personenauto, was die niet van Beatrix en Claus geweest? Jazeker, maar de details waren nieuw voor me.

Het bleek een Fiat 2300 S Coupé, ontworpen door designbureau Ghia uit Turijn. Een vermogen van 136 pk, topsnelheid rond de 190 kilometer. De auto zou ter gelegenheid van hun verloving aan Beatrix en Claus geschonken zijn „door het Nederlandse volk”, maar daaronder moeten we in dit geval vooral Fiat-importeur Lang verstaan.

Geeft niets, het blijft een aardige auto, al heeft hij nu aanzienlijk minder allure dan destijds.

De auto riep iets bij me op, een beeld van twee gelukkige jonge mensen, hij met een bescheiden glimlach achter het stuur, zij stralend naast hem, haar hoofd lichtjes tegen zijn schouder gevlijd. Ze hielden van elkaar en iedereen mocht het weten. Ze gingen een veelbelovende toekomst tegemoet.

Toen zag ik het karretje. Naast die Fiat. Het was een houten geval, rood en oranje geverfd met rubberbanden, een speelauto in de vorm van een racewagen, bestemd voor Willem-Alexander, Johan Friso en Constantijn. Geknutseld door hun vader. In 1969.

Ik wist niet dat prins Claus ook handig was geweest. Zou koningin Beatrix nog naar die twee auto’s kunnen kijken? Het leek me moeilijk.