‘Abdul zal sterven op Guantánamo’

Tegen zes verdachten van ‘9/11’ werd deze week de doodstraf geëist. Het hele juridisch proces kan echter nog jaren duren – ook voor de andere verdachten.

Advocate H. Candace Gorman is een vrouw met een missie. Kostte wat het kost zal ze haar cliënt, de Libiër Abdul Al-Ghizzawi, weg krijgen uit de terreurgevangenis op Guantánamo Bay. De 42-jarige Al-Ghizzawi zit inmiddels zes jaar vast op de Amerikaanse basis. Hij weet niet waarvan hij wordt verdacht en is niet officieel aangeklaagd.

Deze week werd bekend dat het Amerikaanse ministerie van Defensie zes Guantánamo-gevangenen gaat berechten. Tegen de zes, onder wie het vermeende brein achter de aanslagen van 11 september, zal de doodstraf worden geëist. De rechtszaken moeten binnen 120 dagen beginnen, zo meldt het Pentagon.

Maar voor de overige 275 andere vermeende Al-Qaeda- en Talibaanstrijders op Guantánamo Bay is het nog lang niet zover, zegt advocate Gorman. „De juridische procedures kunnen nog jaren gaan duren.”

In een Haags café legt de Amerikaanse uit waarom. „Nog steeds is de vraag of de militaire commissies, die de verdachten moeten berechten, wel grondwettelijk zijn, en of de detenties wel legaal zijn. Die strijd wordt nu in federale rechtbanken uitgevochten, en gaat dan naar het Hooggerechtshof. Tot nu toe werd er na iedere uitspraak van het Hof een nieuwe wet ingediend door de regering en door het Congres aangenomen. Die werd dan weer aangevochten, en zo gaan we nog wel even door.”

Ook van sluiting van de gevangenis zal geen sprake zijn, denkt Gorman. „Als president Bush dat echt had gewild, dan was Guantánamo al dicht geweest.”

Dus zoekt ze een andere oplossing voor Al-Ghizzawi. Want de Libiër heeft hepatitis B, tbs en is, op Guantánamo Bay, besmet geraakt met hiv. Dit laatste ontkent het Amerikaanse ministerie van Defensie. Hij is langzaam aan het sterven, zegt Gorman.

Haar theorie is deze: het Europees Parlement heeft in december vorig jaar een resolutie aangenomen waarin het de Commissie verzoekt „een initiatief op gang te brengen voor de repatriëring” van ex-Guantánamo-gevangenen, die niet kunnen worden teruggestuurd naar hun land van herkomst omdat ze het gevaar lopen te worden vervolgd of gemarteld. De VS hebben aangegeven de basis te willen ontmantelen, maar zoeken landen die dergelijke gedetineerden willen opnemen. Zo vonden ze eerder Albanië bereid vijf Oeigoeren asiel te geven, die in China zouden worden gemarteld.

Dus moet het ook mogelijk zijn om voor Al-Ghizzawi een nieuw vaderland te vinden, denkt Gorman. In Europa. Ze sprak al met de Zwitsers („ze zeiden geen ja, maar ook geen nee”), met Nederland („ik kan nog niet zeggen met wie”) en is van plan om nog naar Zweden en Denemarken af te reizen.

„Ik ben me ervan bewust dat het geen makkelijk verzoek is om iemand die zes jaar in een terreurgevangenis heeft gezeten op te nemen.” Maar Al-Ghizzawi is volgens Gorman ongevaarlijk. Door de Amerikanen is hij bestempeld als ‘vijandelijke strijder’, maar dat is onzin, zegt ze. Hij heeft nooit meegevochten met Al-Qaeda of de Talibaan. De Libiër was getrouwd met een Afghaanse, had een winkel in Jalalabad en werd in 2002 na de inval van de Amerikanen in Afghanistan door de Noordelijke Alliantie tegen geld uitgeleverd aan de Amerikanen. „Zoals veel buitenlanders.” Ze wordt in dit verhaal gesteund door een verklaring van een militaire advocaat voor het Hooggerechtshof, die Al-Ghizzawi als voorbeeld nam van gevangenen die ten onrechte vijandelijke strijders werden genoemd.

Hij zou lid zijn geweest van de Libische Islamitische Strijdgroep, die vocht tegen het bewind van kolonel Gaddafi. Al-Ghizzawi ontkent dit: hij ontvluchtte Libië in de jaren tachtig om aan een tweede dienstplicht te ontkomen. De verzetsgroep, zegt Gorman, staat pas sinds 2004 op de lijst van terreurorganisaties. „Hij kan dus niet terug naar Libië of Afghanistan.” Vandaar Gormans hoop op de Europese regeringen en hun mensenrechtengevoel.

Het is een bijna persoonlijke strijd geworden voor een man die ze in drie jaar slechts tien keer heeft ontmoet. Gormans een-manspraktijk in Chicago is nu volledig aan Al-Ghizzawi gewijd. Per ongeluk, want ze is eigenlijk gespecialiseerd in zaken over politiegeweld en discriminatie op het werk. Tot eind 2004 had ze geen idee wat er op Guantánamo Bay gaande was.

Maar ze werd door een collega aangesproken op haar gevoel voor rechtvaardigheid. Ze hoorde dat de gevangenen niet waren aangeklaagd, niet allemaal een advocaat hadden, dat advocaten geen vertrouwelijke gesprekken met hun cliënten mochten voeren en dat de advocaten niet al het bewijsmateriaal tegen hun cliënt mogen inzien. „Daar werd ik zo boos van.”

En nu merkt ze dat „het nog veel erger is”. „Ik moet bijvoorbeeld al mijn aantekeningen overleggen. En iedere keer als ik Al-Ghizzawi wil zien, moet ik weer aan nieuwe regels voldoen, of via de rechter zorgen dat ik de basis op mag. Is dat mijn land?”

Ze houdt vast aan het principe dat „ieder mens recht heeft op een eerlijke kans om tijdens een eerlijk proces een rechter zijn kant van het verhaal te vertellen”. Voor Al-Ghizzawi zal dat te laat komen, vreest ze. Hij zal op Guantánamo sterven, herhaalt ze. „En voor de VS een land zullen vragen hem op te nemen – ja, van z’n nimmer nooit niet.” Dan, even aarzelend: „Misschien dat een nieuwe president als symbool… Ach nee: Guantánamo loopt druppel voor druppel leeg. We hebben alleen nog 275 druppels over.”