Strijd in Kenia treft de bloemen

Het stammengeweld in Kenia treft wat tot voor kort de sterkste economie van Oost-Afrika was. Toerisme en de bloemenindustrie hebben zwaar te lijden. Arbeiders raken op drift.

Henry Mungai hangt verslagen in een rieten stoel op het gazon achter zijn pension. Mungai runt de Lake Naivasha Country Club, overblijfsel uit de nadagen van het Britse rijk, 100 kilometer ten noordwesten van de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Het gebied werd door kolonialen ooit ‘Happy Valley’ genoemd. Het pension heeft ruimte voor 130 gasten. Sinds de crisis staat het leeg.

„Na de aanslag op de Amerikaanse ambassade in Nairobi in 1998 kostte het ons vijf jaar om te herstellen”, zegt Mungai. „En nu deze klap. Veel medewerkers heb ik met onbetaald verlof gestuurd. Nog twee maanden en ik moet mensen gaan ontslaan.”

De economie van Kenia, de krachtpatser van Oost-Afrika, hangt in de touwen na zes weken van tribaal geweld en politieke chaos sinds de omstreden presidentsverkiezingen.

Onlangs trokken in Naivasha gewapende bendes plunderend door de stad (350.000 inwoners) waar tienduizenden werken in de bloemenindustrie. Het hooggelegen gebied rondom de stad is het zenuwcentrum van deze industrie, die net als toerisme een pijler is onder de Keniaanse economie. „De huizen van twee van mijn werknemers werden verbrand. Hun kinderen zaten er nog in”, vertelt Erik van Rees Vellinga, bedrijfsleider van Linssen Roses.

Zeventig procent van de bloemen uit deze industrie – vooral rozen – gaat naar Nederland. Nederlanders leiden veel van de ruim vijftig bedrijven. Linssen Roses werd ook aangevallen: onbekenden zetten ’s nachts een uitkijktoren bij het hek in lichterlaaie en sneden een stuk uit de plastic opslagplaats van de bloemen. Een bergje verkoold hout getuigt van de aanval. Minister Koenders (Ontwikkelingszaken, PvdA) kwam afgelopen zaterdag op bezoek om de Nederlandse enclave een hart onder de riem te steken.

Vervolg KENIA: pagina 16

KENIA

In Naivasha plukken Kikuyu’s nu de rozen

Crisis in Kenia Etnisch geweld brengt vooral toerisme gevoelige klap toe

Vervolg van pagina 1 De sterke economische groei van de afgelopen jaren dreigt nu in één klap te worden weggevaagd. Het grootste slagveld is het toerisme, Kenia’s voornaamste bron van harde valuta. Negen van de tien boekingen zijn afgezegd. Reisbureau TUI heeft Kenia voor de rest van 2008 geschrapt als bestemming. Safariparken zijn bang dat het gebrek aan bedrijvigheid ruimte biedt aan stropers. De Keniaanse koepel van reisorganisaties heeft de sector „dood” verklaard.

Geen bedrijfstak blijft onaangetast. Onder de 600.000 op drift geraakte Kenianen zijn veel werknemers uit vitale sectoren als toerisme, bloementeelt, thee- en koffieproductie en transport. De snel groeiende werkloosheid vormt, in combinatie met de snel stijgende voedselprijzen, een extra bron van instabiliteit in het politiek wankele Kenia. Ook buurlanden als Oeganda, Rwanda en Tanzania lijden onder de crisis, door het gebrek aan doorvoer van en naar de haven van Mombasa, de slagader van de regio. In Oeganda kost brandstof drie keer zoveel als een maand geleden.

Raymond Matiba is eigenaar van het Safari Beach Hotel ten zuiden van de havenstad. Om te voorkomen dat de tribale spanningen overslaan naar zijn werkvloer heeft hij de 250 werknemers verboden om hun stamtaal te gebruiken. Ze mogen alleen nog met elkaar praten in het Engels en het Kiswahil, de lingua franca van Kenia, zegt hij, wijzend naar de openstaande ramen: „Als ik iemand ook maar in stamtaal hoor spreken, stuur ik hem of haar direct een waarschuwingsbrief.”

Matiba’s hotel biedt een desolate aanblik. In het zwembad spartelen twee kinderen, in de fitnessruimte zwoegt één oudere vrouw. Het restaurant is bij gebrek aan klandizie verplaatst naar de brasserie. „En dan doen wij het nog goed”, zegt Matiba in zijn kantoor. Anders dan de hotels aan het noordelijker gelegen Bamburi Beach heeft zijn hotel een bezetting van 25 procent, iets meer dan honderd gasten. „Het hotel hiernaast is al failliet”, zegt Matiba, „mijn andere buurman gaat binnenkort dicht denk ik.”

Veel hoteleigenaren verwijten buitenlandse media dat zij in hun berichtgeving over Kenia geen onderscheid maken tussen het westen van het land, waar vrijwel al het geweld zich afspeelt, en het oosten, waar het rustig is gebleven sinds kortstondige rellen meer dan vier weken geleden. „Mensen zien beelden uit Rift Valley en denken: heel Kenia staat in brand”, klaagt hotelier Matiba , „terwijl het hier nu veilig is.”

Het geweld in bloemenstad Naivasha bedaarde snel, de bloemenproductie en -export zijn niet in gevaar gekomen. „Omdat bloemen een versproduct zijn, hebben de bedrijven wel een paar dagen verlies geleden”, zegt bedrijfsleider Van Rees Vellinga, die uit voorzorg extra kunstmest en pesticiden heeft ingeslagen. „We komen weer op gang. Dat is nodig want Valentijnsdag staat voor de deur.”

Hotelier Matiba vestigt zijn hoop op het publiciteitsoffensief dat de Keniaanse overheid en de verschillende brancheorganisaties hebben gelanceerd. „Het belangrijkste is nu dat Europese landen hun negatieve reisadviezen voor Kenia intrekken, zodat verzekeringsmaatschappijen de reizen weer dekken.”

Ook de bloemenkwekers krijgen steun van de Keniaanse regering, die wil voorkomen dat ook deze bron van harde valuta droogvalt. Het leger beveiligt transporten over de weg naar Kenyatta International Airport in Nairobi waar de bloemen op het vliegtuig naar Europa gaan. Speciaal voor de kwekers in het instabiele westen is een luchtverbinding opgezet tussen Eldoret en Nairobi, zodat zij hun producten niet over de weg hoeven te vervoeren.

De verliezers in de bloemenindustrie zijn de plukkers die moesten vluchten uit Naivasha. Duizenden Luo’s en Kalenjins, aanhangers van de oppositie, zijn teruggekeerd naar Rift Valley waar zij de afgelopen jaren vandaan kwamen op zoek naar werk. Erik van Rees Vellinga zag 100 van zijn 300 plukkers vertrekken. Hij kon zijn personeelsbestand snel op peil brengen dankzij de vele inwoners van Naivasha die dagelijks voor de ingang van de bloemenbedrijven wachten op werk.

Het bedrijf van Van Rees Vellinga bouwt geen opvangkamp voor bedreigde werknemers, zoals enkele kwekerijen hebben gedaan in een poging plukkers zover te krijgen om te blijven. „Onze landeigenaar verbiedt de aanleg van een kamp”, zegt hij. „Ik denk ook dat die opvang je veel gelazer kan geven. Je hoort nu verhalen over Kikuyu’s [aanhangers van president Kibaki, red.] die opvangkampen willen aanvallen.”

De bedrijven die wel opvang aanbieden doen dat naar eigen zeggen om te voorkomen dat hele gezinnen straks zonder inkomen zitten. De vakbond van bloemenplukkers vermoedt andere motieven: de bedrijven doen alles om maar te voorkomen dat zij onervaren krachten hoeven in te werken in de drukke Valentijnsperiode. Door bedreigde werknemers bijeen te brengen in een vijandige omgeving brengen de bedrijven levens in gevaar, stelt de vakbond.

Dit laatste argument lijkt de gevoelens van de bedreigde plukkers te weerspiegelen. Verreweg de meeste Luo’s en Kalenjins weigeren hun intrek te nemen in het tentenkamp. Zij verzamelen zich bij het politiestation, waar overvolle bussen met banken, stoelen en fietsen op het dak vertrekken richting westen. ‘Eldoret Express’, staat op de zijkant. De etnische segregatie krijgt zo haar beslag. De bloemen van Naivasha zullen voortaan vooral worden geplukt door Kikuyu’s.

Pensionhouder Henry Mangui schudt in zijn rieten stoel zijn hoofd als hij de verhalen hoort over de exodus van bloemenplukkers, slechts een paar kilometer van zijn Lake Naivasha Country Club. Tot voor kort verdiende hij, behalve aan toeristen, aan vrienden en zakelijke contacten van de bloemenkwekers. Ook die blijven nu weg.

Lees meer over het geweld in Kenia via nrc.nl/kenia