Stervoetballer zonder allures

Spits Henrik Larsson maakte doelpunten voor Feyenoord, Celtic, Barcelona en Manchester United.

„Maar nu staat het geluk van mijn gezin centraal.”

Opgelucht vloog Henrik ‘Henke’ Larsson kort voor de Kerst met zijn gezin naar Kaapverdië, het geboorteland van zijn vader. Na tweeënhalf jaar voetballen in Spanje, Engeland en Zweden had hij eindelijk vakantie. Hij kon bovendien terugkijken op een redelijk succesvol seizoen met Helsingborgs IF. In de competitie zat het tegen, maar mede door zijn zeven goals in de UEFA Cup bereikte de club de derde ronde, met PSV vanavond als volgende tegenstander.

Wat Larsson na de winterstop ging doen wist hij net voor Kerst nog niet. Hij dacht erover zijn loopbaan te beëindigen, maar Helsingborgs wilde graag met hem doorgaan. Ook was er belangstelling vanuit Schotland en Engeland. Larsson mag dan 36 jaar zijn, veel topploegen kunnen de snelle, strijdbare spits nog prima gebruiken.

Eenmaal in Zweden ging Larsson met de club uit zijn geboortestad om de tafel zitten, om uiteindelijk voor een jaar bij te tekenen. „Ik had bedenktijd nodig”, zegt Larsson, in vrijwel accentloos Nederlands. „Maar ik kwam tot de conclusie dat ik nog helemaal niet klaar ben met topvoetbal.”

Met name de fans van Celtic hadden gehoopt dat Larsson zou terugkeren naar de Schotse club waar hij in zeven jaar tijd 242 doelpunten maakte en de Europese Gouden Schoen won. „Henke, zelfs met een wandelstok ben je nog goed genoeg om bij ons te spelen!” schreef een aanbidder op de website van Larsson. De Zweed was blij met alle lof, maar een vertrek uit Helsingborg was geen optie, zo vertelt hij in januari langs het trainingsveld in het Spaanse La Manga, waar de ploeg zich voorbereidt op het Zweedse seizoen.

„Ik ben niet voor niets teruggekeerd naar Zweden. Mijn zoon en dochter zitten daar op school en het zou niet eerlijk zijn om nu weer te verhuizen. Kinderen hebben rust nodig, moeten zich ergens thuis voelen. Ze hebben net nieuwe vrienden gemaakt en mijn vrouw is er ook gelukkig. Dat vind ik belangrijker dan opnieuw bij een topclub spelen.”

Als tiener was Henke een van de grootste talenten van Högaborgs BK in Helsingborg, maar het zag er niet naar uit dat hij een stervoetballer zou worden. „Ik had talent, maar op een gegeven moment is dat niet meer genoeg en moet je er ook hard voor werken. Op m’n twintigste speelde ik in de derde divisie en dan is de kans klein dat je nog de top haalt. Maar ik had geluk: ik werd gecontracteerd door Helsingborgs IF, we promoveerden naar de hoogste klasse en in 1993 kon ik naar Feyenoord.”

In Rotterdam baarde Larsson opzien met zijn blonde dreadlocks en energieke spel. „Het was een leerzame periode, zowel op tactisch als technisch gebied. Ik pikte ook mijn goaltjes mee, maar toen Arie Haan er trainer werd, verloor ik mijn vaste stek. Hij stelde mij zo’n beetje overal op: linkshalf, rechtshalf, linksbuiten, rechtsbuiten – zoiets is natuurlijk niet ideaal voor een spits. Nee, ik heb Haan hier later niet meer over gesproken. Volgens mij heeft hij tijdens mijn Celtic-jaren wel gezien dat hij fout zat.”

De overgang naar Glasgow, in 1997, had Larsson te danken aan coach Wim Jansen, die hem indertijd ook al naar Rotterdam haalde. Daar, in de Schotse regen, kwam zijn talent tot volle wasdom. Larsson: „Ik ben Jansen heel dankbaar. Hij geloofde onvoorwaardelijk in mij en dat is essentieel voor een voetballer. Als de trainer vertrouwen in je heeft, durf je ook net die gewaagde actie te maken waarmee je een wedstrijd kunt beslissen.”

Larsson, anno 2008 met een kaalgeschoren schedel en donkerblond sikje, twijfelt geen moment wanneer hij gevraagd wordt naar de kleur van zijn hart. „Groen met witte strepen”, lacht hij. „Spelen voor Celtic was de mooiste tijd van mijn leven. Van ons leven, moet ik zeggen, want mijn vrouw en kinderen hadden het er ook naar hun zin. Ik kon na enige tijd naar Manchester United, maar we wilden eigenlijk niet meer weg uit Glasgow. Zweden en Schotland hebben veel met elkaar gemeen, Schotten zijn hooguit wat minder gesloten.”

Na zeven „magnifieke jaren” was het dan toch tijd voor een transfer. Als jongen droomde Larsson er al van om net als zijn idool Pelé in een zonnige omgeving te spelen. „Een bestaan als voetbalprof, dan denk je toch vooral aan een mooi land, waar je ’s morgens flink traint en ’s middags aan het zwembad kunt liggen. Toen Barça interesse toonde, besloot ik ervoor te gaan, want om dat op mijn leeftijd mee te kunnen maken was natuurlijk super.”

„Ik heb er met fantastische voetballers en fantastische mensen samengespeeld. Neem Ronaldinho, hij heeft veel gewonnen en toch staat hij met beide benen op de grond. Ík vind dat normaal, maar ik ken ook heel wat figuren met een hoop kapsones. Werken onder Frank Rijkaard was ook geweldig. In mijn jeugd keek ik al graag naar hem, toen hij samen met Van Basten en Gullit in Milaan voetbalde. Maar de beste coach blijft voor mij Martin O’Neill, die in 2000 bij Celtic kwam. O’Neill heeft echt alles: hij is tactisch sterk, weet je voortdurend te motiveren en is ook nog eens heel aardig.”

Hoewel Larsson tijdens zijn twee seizoenen in Barcelona door een knieblessure en de moordende concurrentie betrekkelijk weinig wedstrijden speelde, werd hij ook daar een publiekslieveling. Groot was de Catalaanse vreugde toen hij in 2006 Mark van Bommel verving in de Champions League finale tegen Arsenal en met twee assists een 0-1 achterstand omboog in een 2-1 overwinning. Club en fans smeekten Larsson bij te tekenen, maar het besluit van Larsson stond vast: hij ging terug naar Zweden, terug naar zijn oude ploeg Helsingborgs IF.

„Ja, het was mooi om na al die jaren weer thuis te komen. Ik kon inderdaad nog bij verschillende clubs terecht, maar in Glasgow en Barcelona heb ik goed verdiend en dus kan ik nu ‘nee’ zeggen tegen een lucratief aanbod. Natuurlijk valt er altijd wel ergens meer te verdienen, maar word je daar ook gelukkiger van? Voor mij staat het geluk van mijn gezin centraal.”

Toch kwam er nog één bijzonder uitstapje voor Larsson. Begin 2007 verhuurde Helsingborgs hem voor enkele maanden aan Manchester United, dat op dat moment met veel geblesseerde spelers kampte. Larsson, met pretoogjes: „Ik heb daar echt tien weken met een brede glimlach rondgelopen. Ik scoorde in mijn debuutwedstrijd en daarna bleef het allemaal fantastisch lopen. Manager Alex Ferguson wilde mij graag tot juni houden, maar ik had Helsingborgs nu eenmaal beloofd dat ik in maart, bij het begin van het Zweedse seizoen, zou terugkeren.”

Een belofte nakomen is in het profvoetbal geen gewoonte. Maar voor Larsson is het de normaalste zaak van de wereld. „Als ik van anderen verwacht dat ze woord houden, moet ik dat zelf ook doen. Bovendien was mijn gezin niet blij met dat heen-en-weer reizen. Ook daarom hield ik voet bij stuk.”

In Eindhoven werd aanvankelijk opgelucht gereageerd toen PSV bij de UEFA-Cuploting aan Helsingborgs IF werd gekoppeld. Inmiddels is dat optimisme getemperd. PSV-scouts Willy van der Kuijlen en Klaas van Baalen zagen onlangs in La Manga een oefenwedstrijd van de Zweden en meldden dat de ploeg stug is en ‘er gruwelijk op klapt’.

Larsson, weer met pretoogjes: „Ik heb er echt zin in. Voor het eerst in dertien jaar is een Zweedse club zo ver gekomen in de UEFA Cup. PSV moet winnen, wij kunnen winnen. We zijn trouwens niet alleen fysiek sterk, we hebben ook kwaliteit, dus dat worden twee mooie wedstrijden. Ik vind het ook leuk weer in Nederland te spelen. De eredivisie volg ik niet op de voet, maar ik kijk wel altijd wat Feyenoord heeft gedaan, want dat is en blijft mijn cluppie.”

Dan geeft coach Bosse Nilsson het sein dat de training in La Manga gaat beginnen. Larsson kuiert met een ploeggenoot het veld op. Na een meter of tien draait de Zweedse doctor honoris causa aan de universiteit van Strathclyde en Member of the Order of the British Empire zich om en roept, als een echte Rotterdammer: „Doe-oei!”