In New York ging zijn demo in de vuilnisbak, in Londen niet

De debuut-cd van José James heet The Dreamer.

„Een serieus jazzalbum voor de hiphopgeneratie, maar dan zonder beats en dat soort dingen.”

Ai! Aan de telefoon is zijn stem veel minder mooi dan op de plaat. Klinkt hij in zijn liedjes donker en warm, met een flexibele bariton, aan de telefoon klinkt hij nogal ongeïnteresseerd, een gewone Amerikaanse jongeman die zijn zinnen doorspekt met ‘he man’ en ‘you know man’.

En, ai, dan is hij ook nog erg overtuigd van zichzelf. „Nee, ik ben niet verbaasd dat het album goed wordt ontvangen. Ik heb er twee jaar aan gewerkt. Het zou me hebben verbaasd als de mensen het níét goed hadden gevonden.”

Het is enkele uren voor de Amerikaanse releaseparty van zijn debuutalbum, The Dreamer, maar de 28-jarige José James lijkt geen zenuwen te kennen. Zo vreemd is dat ook weer niet. Het is een prachtig jazzalbum.

James zingt op een bijzondere manier. Zijn stem is warm, donker en vol soul – ze biedt op een merkwaardige wijze bescherming. Het tempo ligt vaak laag en zo sleept die stem je ontspannen door de muziek, zoals in Velvet, begeleid door bas en piano. James roept verscheiden muzikale tijdperken op. De muziek herinnert aan de zwarte revolutie uit de jaren zestig, zijn stem doet denken aan jazzdichter Gil Scott-Heron uit de jaren zeventig, in zijn voorkomen lijkt hij op Justin Timberlake in 2008.

In tegenstelling tot andere populaire jonge crooners zingt James niet het Amerikaanse standaardrepertoire. Heeft-ie wel gedaan, iedere maandagavond, een jaar lang, in het Fire-side Pizza restaurant in Minneapolis. Zelf omschrijft hij die tijd als „een ervaring in nederigheid”.Maar op The Dreamer laat hij voornamelijk eigen werk horen – al was dat niet altijd volgens plan. Zo wilde hij een nummer van John Coltrane coveren, maar kreeg hij van de nabestaanden geen toestemming.

James groeide op in Minneapolis, waar hij naar A Tribe Called Quest en De La Soul luisterde, maar ook naar Nirvana en Alanis Morissette. Raar vindt hij dat niet, zoveel verschilt zijn muziek nu ook weer niet van die van Nirvana: „Verander het instrumentarium en je hebt een rocksong.”

Na de middelbare school vertrok hij naar New York om een platencontract binnen te halen, maar hij raakte gedesillusioneerd. Hij stortte zich op het schrijven van een roman en bracht maanden door in de Brooklyn bibliotheek. Drie jaar lang zong hij niet, tot op het afscheid van zijn oude leraar in Minneapolis, waarnaar hij was teruggekeerd. Niet lang daarna belandde hij in de Fireside Pizza.

Hij deed mee aan verschillende jazzcompetities, maar won nooit. „Ze willen dat je de volgende Ella Fitzgerald bent, maar je moet relevant zijn voor de jeugd van vandaag.” Toen hij hoorde dat platenlabels in Londen wel jonge jazzmuzikanten contracteerden, vertrok hij. Hij trof er een heel andere sfeer. „In New York gooien ze je demo in de vuilnisbak, in Londen zetten ze hem op.” Een van zijn demo’s kwam terecht bij diskjockey en platenbaas Gilles Peterson, die hem een contract aanbood.

Met The Dreamer heeft hij „een serieus jazzalbum willen maken voor de hiphopgeneratie, maar dan zonder beats en dat soort dingen”. Hij produceerde het album zelf, uit vrees dat anderen het zouden overproduceren, „zoals dat momenteel zo vaak gebeurt in de jazz, waardoor de muziek gaat lijken op pop”. Hij zette alle muzikanten in een ruimte en nam alles in één keer op. Alleen de zanglijnen werden soms over elkaar heen opgenomen. En ja, dan hoor je soms een foutje, want „die konden we op deze manier niet verdoezelen”.

De cd The Dreamer ligt vanaf nu in de winkel