Ik wacht 16 februari op je om 16u bij de Magere Brug

Zullen we ermee beginnen dat we met z’n allen zeggen dat we Valentijnsdag heel erg stom vinden? En dat het ons opgelegd wordt door het Grootkapitaal (Amerika!), en dat er op een goedkope manier geld verdiend wordt met emoties die ooit oprecht bedoeld waren? En dat het trouwens ook een manier is om alleenstaanden (‘Alleengáánden! Want we staan niet stil!’) een triestheidscomplex aan te praten?

Hebben we dat allemaal gezegd? Goed, dan kunnen we het nu hebben over de liefde. En Sint Valentijn. In de derde eeuw waren er twee Sinten Valentijn, de een was bisschop en de ander priester (allebei dus lekker ter zake kundig op het gebied van de liefde), en beiden werden op 14 februari vermoord. Het kan ook dat het om een en dezelfde persoon gaat. In ieder geval vieren we op 14 februari dus dat een celibataire geestelijke omgelegd werd: romantisch!

De oorspronkelijke bedoeling van Valentijnsdag is dat je degene van wie je stiekem houdt, eindelijk laat weten dat dat zo is, maar dan wel anoniem. Stelletjes die allang bij elkaar zijn, en nu nog eens met een Valentijnskaart komen aankakken, tellen dus eigenlijk niet mee. Moeders die hun zoon een Valentijnskaart sturen (‘Anders krijgt hij helemaal niets’) zijn een beetje eng. Moeders die de vriend van hun zoon een Valentijnskaart sturen (zie hiernaast), zijn heel erg eng. Vriendinnen die naar vriendinnen Valentijnskaarten sturen om de ander zich minder eenzaam te laten voelen (zie hiernaast), zijn bezig met een subtiel machtsspel waarbij de ontvangster van de kaart zich uiteindelijk heel erg eenzaam gaat voelen.

Nee, de enige echte Valentijn is van het Cyrano/Heathcliff/Floris ende Blancefloer-type: al jaren verliefd, nu met kamikaze-moed een brief gestuurd, want alles is erger dan dit eeuwige smachten. Belangrijk hierbij is dat de geliefde wel een persoonlijke bekende is, want dat maakt het enger – er staat nog een vriendschap op het spel ook (daarom is een kaart sturen aan Sacha de Boer nogal gemakkelijk; ze kent je niet dus je hebt niets te verliezen).

Degenen die hun liefde durven te bekennen aan een vriend of vriendin, dat zijn de helden van de liefde. De mannen en vrouwen die niet wachten op een dronken moment waarin iets dubbelzinnigs gemompeld kan worden, maar die echt iets opschrijven, dat in de brievenbus doen, en vervolgens dagenlang nagels bijten omdat ze zich druk maken om hun precieze formulering. Want daar gaat het natuurlijk om: de ander voor je winnen met woorden alleen.

De woorden van de liefde liggen gevoelig. Ik zelf vind het woord ‘lieverd’ echt niet kunnen, reden tot uitmaken bijna. ‘Lieverd’ in een zin is oké (‘Wat ben je toch een lieverd’), maar als aanspreekvorm is het meer dan walgelijk (‘Lieverd, zet jij even de vuilniszakken voor me buiten?’). Maar ja, zoals het gaat met walgelijke woorden: op een gegeven moment wordt het walgelijke woord gebruikt door een dierbare vriendin tegen haar vriend, en dan denk ik ineens: Ach, wat zal ik ook zeuren! Het klinkt eigenlijk wel lief.

Waarmee ik niet wil zeggen dat het allemaal volstrekt relatief is. ‘Poepie’ is natuurlijk sowieso, in elke context, heel erg. ‘Zeg schat, wil jij nog koffie’, is ook heel erg. ‘Hee, lekkere scheet van me’, kan alleen in ironische zin leuk zijn (ik kende iemand die wekenlang aannam dat haar vriend dit inderdaad ironisch bedoelde, tot ze erachter kwam dat hij gewoon serieus was. Au.).

Stelletjes die al wat langer samen zijn kunnen soms in een folie à deux verzeild raken van creatieve benamingen. ‘boemsie-boemsie’, ‘smurfenkindje’, ‘wijvenlijf’ – meestal is de werkelijkheid erger dan je ooit zou kunnen verzinnen.

Met zulk soort waanzinnigheden heeft de Valentijnsschrijver niet te maken, maar dan nog ligt het met de tekst uiterst delicaat. Hij of zij moet ongezien aanvoelen wat de ander wel of niet trekt. Voorgedrukte Valentijnskaarten zijn bijna altijd verschrikkelijk. Een steekproef bij de Bruna leverde de volgende teksten op: ‘Heel veel liefs op deze speciale dag’ (het kan bijna niet liefdelozer). ‘Een roos staat voor liefde, begrip en genegenheid… deze is voor jou’ (Een roos staat voor begrip? Sinds wanneer?). ‘Jij bent de slagroom op de taart van mijn leven’ (Geen commentaar). ‘Waar ik vandaag aan gedacht heb: 1: jou! 2: jou! 3: en nog eens aan jou!’ (Mag het iets minder hysterisch?). ‘Valentijnsdag met jou? Hihi… lijkt me geweldig.’ (De liefde is niet ‘hihi’). Opvallend is ook dat verreweg de meeste kaarten gericht zijn op mensen die al bij elkaar zijn. Logisch, want stelletjes willen geen moeite meer doen om iets voor elkaar te verzinnen en sturen dus een kaart met een koddige giraffe erop.

Voor de echte Valentijnsheld is er natuurlijk maar één mogelijkheid, en dat is: zelf iets schrijven. Wat verschrikkelijk moeilijk is. Ten eerste: hoe te beginnen?

‘Liefste!’ Mooi, maar ook wel dramatisch, alsof de schrijver op de punt staat zich voor de stoomtrein te werpen.

‘Hallo Herman, ik merk bij mezelf dat ik de laatste tijd gevoelens voor je ben gaan ontwikkelen’ – niet echt sexy.

‘Hee, hoi, je raadt nooit wie ik ben, ik vind dit echt supereng!’ is weer een beetje schoolmeisjesachtig. Waar de ander natuurlijk best opgewonden van kan raken, maar is het een gezond begin van een relatie?

Dan toch maar het neutrale: ‘Lieve Herman’. En dan een mooie gevoelige uiteenzetting over wat je voelt (een diepe liefde die meer is dan verliefdheid of lust alleen), hoe het zo gekomen is (vanaf het moment dat Herman dat jonge katje uit het water redde) en waar het heen moet gaan.

Want ja, waar moet het heen? Uiteindelijk moet toch duidelijk worden wie de anonieme kaart heeft gestuurd – als de ontvanger de liefde beantwoordt, wil niemand namelijk anoniem blijven. De grootste Valentijnshelden zetten er dus iets bij als: ‘Ik wacht op 16 februari om 16u op je bij de Magere Brug. Als je er niet bent weet ik genoeg. Je Valentijn.’ En dan ook echt gaan, hè. En wachten. Tot het donker wordt.