Het leven in de lift

De Engelse documentairemaker Marc Isaacs filmde in 2001 in een lift bewoners van een flat. Met enkele indringende vragen weet hij ze tot leven te wekken.

Het vaak geciteerde advies van Tolstoj om over je eigen dorp te schrijven wanneer je het over universele thema’s wilt hebben, is door de Britse documentaire filmmaker Marc Isaacs tot in zijn uiterste consequentie doorgevoerd. Zelf werd hij in 1968 in Oost-Londen geboren, een deel van de stad waar sinds de jaren 1920-’30 relatief veel uit Rusland en Polen gevluchte joden woonden en waar nu grote groepen Indiërs, Pakistani, Bengalezen, Jamaicanen en Afrikanen het straatbeeld bepalen. In 2001 maakte hij zijn eerste film over een flatgebouw aan Commercial Street. Niet alleen is de East End zijn ‘eigen dorp’, hij verkleinde de wereld waarover hij wilde vertellen nog verder door zichzelf met een camera op te stellen in de lift van de twintig verdiepingen tellende flat. In de 25 minuten durende film komt de hele bevolking van de flat beurtelings aan het oog van de camera voorbij, wat bij elkaar een mooi etnisch mozaïek oplevert, met alle onderlinge verschillen, spanningen en meestal vluchtige contacten van dien.

Isaacs weet mensen van achter zijn camera tijdens hun korte gezamenlijke reis naar boven of beneden tot leven te wekken met achteloos geformuleerde, maar in feite zeer indringende vragen als „What has been on your mind today?”, „Is there religion in your life?” of „What did you dream of last night?” Indrukwekkend zijn ook de even beknopte als verwarde antwoorden die sommige bewoners geven op de vraag „What is the best thing you remember about your childhood?” De dag dat hij als jongetje een steenarend zag overvliegen, antwoordt zonder aarzeling de oudere man met de drankneus, en in de piepkleine ruimte spreidt hij zijn armen in een troosteloze poging om de majesteitelijke vrijheid van de roofvogel te suggereren.

Omgekeerd reageren de bewoners ook steeds actiever op de filmer, die zich met hun toestemming een maand lang in hun liftcabine heeft verschanst. Er wordt hem een stoel aangeboden, en af en toe voedsel, naast veel roddel, persoonlijke bekentenissen en kwaadsprekerij over de buurt. Afgezien van een enkele zuiplap of brompot weet Isaacs op zijn beurt de bewoners ook onderling aan de praat te krijgen, wat een interessant geval van participerende observatie oplevert. In de persoon van de maker voelt de kijker zich het verhaal binnengetrokken, ook omdat er in de extreem benauwde ruimte geen ontsnappen aan betrokkenheid is, dat wil zeggen zodra Isaacs de contactuele chemie met en tussen de bewoners op gang heeft gebracht. Want uit alles wordt duidelijk dat men hier straal langs elkaar heen leeft.

Maar het interessantste aspect komt naar voren uit het woord ‘verhaal’ dat zojuist viel. Beurtelings maken mensen gebruik van de lift en we zien enkele mensen meermalen terug, zodat er in Lift een suggestie van ontwikkeling wordt gebracht. Maar in feite bevat Lift nauwelijks enig verhaal. Met zijn seriële opzet van zich steeds herhalende scènes, die onderling thematisch steeds iets verschoven worden, heeft Isaacs een eigen subgenre gecreëerd: de cinematografische opsomming. Een subgenre dat zich zowel schatplichtig aan de fotografie als aan het toneel toont: een tragikomische portrettengalerij op een oppervlakte van nauwelijks twee vierkante meter. Met die cinematografische opsomming doet hij het menselijk (samen)leven in zijn essentie meer recht dan alle blockbusterfilms met hun overdosis aan verhaal. Het is een misconceptie om te denken dat ons leven van nature het karakter van een verhaal draagt, tenzij men de tale told by an idiot uit Shakespeare’s Macbeth bedoelt.