Gelukkig werd hij acteur en geen slager

Alain Derlon is de man die zichzelf ooit omschreef als iemand met „het ellendigst mogelijke karakter”.

Hij speelt Julius Caesar in Asterix en de Olympische Spelen.

„Avé Moi.” Julius Caesar heeft in de nieuwe Asterix-film de staalblauwe ogen en de scherpe trekken van Alain Delon. Hij is pas gelukkig als hij in de spiegel kijkt en hij begroet zichzelf zoals Mel Brooks dat ooit deed toen hij Hitler speelde: „Heil myself.” Is dit een staaltje superieure zelfspot van een acteur die nooit veel met ironie ophad?

In Asterix en de Olympische Spelen is de Franse superster – of moeten we zeggen: voormalige superster? – voor het eerst sinds tien jaar weer te zien in een speelfilm. In 1998 speelde Delon voor het laatst een echte filmrol in Une chance sur deux van Patrice Leconte. Daarin was hij zijn oude archetype, de gangster, samen nota bene met zijn archetypische maat, Jean-Paul Belmondo. Zo hadden ze bijna dertig jaar eerder ook in Borsalino gespeeld. Schurken, maar onweerstaanbare schurken.

Als Alain Delon was geworden wat hij als jongetje wilde – slager, net als zijn stiefvader – vraag je je onwillekeurig af wat er dan met zijn klanten zou zijn gebeurd. Als je naar de personages in zijn films kijkt, denk je: hij zou de mannen hebben vermoord en de vrouwen verleid. Maar gelukkig is Delon acteur geworden, na een leven van twaalf ambachten en dertien ongelukken. De kleine Alain, geboren op 8 november 1935 in Sceaux, vlak bij Parijs, werd naar eigen zeggen van zes verschillende scholen gestuurd. Daarna ploeterde hij als sjouwer, ober en handelaar, en probeerde hij als parachutist Frans Indochina voor het vaderland te behouden.

Pas daarna stapte hij de filmwereld binnen, als huurmoordenaar Jo in Quand la femme s’en mêle (Yves Allégret, 1957). Het zou een voorbode blijken van de persona die de kil-mooie Delon zou worden in zijn filmoeuvre. Hij is de man met het ijswater in zijn aderen. Die in de melancholieke noir van Jean-Pierre Melville, Le samouraï (1967) een DS openbreekt en met een enorme sleutelbos naast zich de motor tracht te starten. Een voor een probeert hij de sleutels, terwijl hij in de achteruitkijkspiegel een agent naderbij ziet komen. Niets in zijn gezicht of in zijn handelen verraadt angst of haast. Hij gaat mechanisch verder tot eindelijk de motor aanslaat en hij wegrijdt om een aanslag te plegen.

Dat is de archetypische Delon, zoals we hem in een vroege hoofdrol in Plein Soleil (René Clément, 1960) zagen, waar hij als Tom Ripley zijn rijke vriend uit de weg ruimde om diens leven over te nemen. Alleen in de Italiaanse films van Luchino Visconti in die periode speelde Delon compleet andere personen. In Rocco e i suoi fratelli (1960) is hij een bijna engelachtige man die het geluk van zijn familie tot zijn persoonlijke verantwoordelijkheid maakt. Hij probeert alle kwaad dat zijn oudere broer aanricht goed te maken, tot een moord aan toe. Hij zou nog eenmaal onder Visconti spelen in de magistrale Il gattopardo (1963), als jonge edelman die zijn eerbiedwaardige familie verruilt voor de opwinding van de Garibaldi-revolutie in de jaren 1860.

Toch lijkt de ijsman dichter bij Delon zelf te staan dan de energieke prins of de heilige broer. De man omschreef zichzelf ooit als iemand met „het ellendigst mogelijke karakter”. Hij zwierf politiek van de Gaullistische partij via Jean-Marie Le Pen (die hij „een vriend” noemde) naar Nicholas Sarkozy bij de laatste presidentsverkiezingen. In 1968 raakte hij verwikkeld in een schandaal vol moord, drugs, en omkoping met politieke implicaties voor toenmalig president Pompidou, toen het levenloze lichaam van Delons bodyguard Stevan Markovich werd gevonden. Het slachtoffer had een briefje achtergelaten met daarop de tekst: ‘Als ik sterf, is dat 100 procent de schuld van Alain Delon en zijn godfather François Marcantoni’, verwijzend naar een Corsicaanse gangster.

Er gingen geruchten over orgies waar Delon en hoge politici zouden zijn geweest en waar foto’s waren gemaakt van Delon en Claude Pompidou, de first lady in flagrante delicto. Uiteindelijk werden alle aanklachten ingetrokken en bleef de affaire als een wolk hangen boven het hoofd van de ster, die daarna eigenlijk nog maar een echt mooie rol zou spelen, in Mr. Klein van Joseph Losey (1976). Daarin wordt hij tijdens de Tweede Wereldoorlog verwisseld met een jood van dezelfde naam en dreigt hij naar de kampen te worden afgevoerd. Aan het slot van de film kan hij zichzelf redden, ware het niet dat hij de andere meneer Klein naar de trein ziet gaan en zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen. Hij gaat hem achterna, zijn ondergang tegemoet.