De leraar: ik sta erbij en voel me gelukkig

Het is vrijdagmiddag en vwo-6c van het Doetinchemse Ludgercollege krijgt het zevende en achtste uur Nederlands van Jeroen Steenbakkers. Helaas is de helft van de klas uitgeroosterd.

Het blokuur op vrijdagmiddag belooft niet veel goeds. Wendy, Anne, Marlou, Lieke, Nikki en Karolien gaan met ‘Beeldende vorming’ voor een excursie naar Amsterdam. Leuk. Carlijn, Rutger, Paulien, Boukje en Jacinta zijn uitgeroosterd om te oefenen voor ‘de ereprijs’, een bijzonder project bij muziek. De leerlingen hebben zelf een compositie geschreven die uitgevoerd gaat worden door een heus orkest. Vrijdag oefent het orkest en daar moeten deze vijf leerlingen natuurlijk bij zijn. Oók leuk. Maar ik blijf op vrijdag na de middagpauze een dubbeluur lang over met de achterblijvers.

De afgelopen weken hebben we bij Nederlands maar wat aangerommeld met eindexamentraining. De volgende grote inleveropdracht – ‘een beschouwing van ongeveer 1.100 woorden’ – hoeft pas over drie weken ingeleverd. De meesten zijn nog niet echt begonnen.

Op donderdag vertel ik vwo-6c dat we op vrijdagmiddag gaan werken aan schrijfstijl. Iedere leerling kan voor die les een zelfgeschreven alinea meenemen die we op stijl gaan analyseren. Dat levert ze feedback en tips op. Ik hoop dat enkele leerlingen hierdoor gemotiveerd raken en vanavond al aan het schrijven gaan, maar heb er een hard hoofd in. Ach, in nood is er dus altijd nog eindexamentraining samenvatten.

Op donderdagavond lees ik de dagelijkse column in NRC Handelsblad van Frits Abrahams en denk: mooi stuk, prettige stijl. Ik knip hem uit voor de les. Die valt mee. 5 leerlingen hebben een stukje eigen tekst meegenomen. Ik ga de fragmenten kopiëren en zet de klas aan het werk: lees de column van Abrahams en leg uit waarom je docent Nederlands dit een stilistisch geslaagd stuk vindt. Geef minimaal drie redenen.

Daarna hebben we het over het vervlechten van citaten in een beschouwing; over het scheiden van feiten en meningen; over het gebruik van beeldspraak en vooral over tempo. Met elke nieuwe zin geeft Abrahams de lezer nieuwe informatie, maar niet te veel, leg ik uit. Elke zin maakt een stap maar geen sprong. Zo wandel je als lezer lekker mee. Gewapend met dit inzicht gaan de leerlingen de fragmenten van hun klasgenoten te lijf. Ze strepen driftig alle zinnen aan waar ze over struikelen. Vervolgens moeten ze die zinnen herformuleren. Dat blijkt lastig.

Er volgt een levendige bespreking. We schaven aan het stukje van Stefan over de dichter Hans Andreus. Elke zin wordt tegen het licht gehouden; ook het wit tussen de regels is onderwerp van gesprek. Daarna komen Frédérique, Jeroen en Maaike aan de beurt. Tijdens dit ‘onderwijsleergesprek’ schiet de vonk opeens over. De aandacht van de achterblijvers en mijn inspiratie vinden elkaar. Het leren wordt weer even spelen, het spelen leren. We bespreken het stukje van Thomas, een begenadigd schrijver en redacteur van de schoolkrant. In negen zinnen gebruikt hij vier keer beeldspraak. De vergelijkingen worden één voor één geanalyseerd. Zijn ze kloppend? Functioneel? Thomas schrapt een paar van zijn stijlbloemen en zegt tegen zijn buurvrouw: „Nooit geweten dat ik zoveel vergelijkingen gebruik. Dat doe ik vast veel vaker.” Ik sta erbij en voel me gelukkig.

Welbeschouwd bestaat het schoolleven ook uit veel gedoe. Leerlingen die niet vooruit te branden zijn; huiswerk dat afgeraffeld wordt; eindeloze rijtjes werkwoordsspelling: de dagelijkse sleur blijft draaglijk door de pauzes met vrienden. Allemaal goed en wel, maar op déze vrijdagmiddag lopen zes leerlingen uit vwo-6c door een modernistische wijk in Amsterdam; vijf leerlingen zitten te luisteren naar de uitvoering van hun eigen composities en Thomas komt het achtste uur tot het inzicht dat hij zijn bloemrijke taal zo nodig kan inwisselen voor een functionele. En Loes, die naast Thomas zit, blijft bij het verlaten van het lokaal nog even hangen en zegt: „Dat was een fijne les meneer, voor een vrijdagmiddag.”