Crisis van het systeem

Nieuwsanalyse

De commissie-Dijsselbloem onthult meer dan falend onderwijsbeleid: de kloof tussen politiek en burgers. Ze hoopt dat ouders en leraren die helpen dichten.

Een grote afstand tussen leraren in de klas en politici in Den Haag. Beleid dat achterliep op de maatschappelijke ontwikkelingen. Onderwijsvernieuwingen die door politici werden doorgevoerd zonder deugdelijke probleemanalyse. Te weinig controle. Een tunnelvisie.

Als er illustraties nodig zijn voor de stelling dat de politiek te ver af staat van de werkelijkheid, levert de parlementaire onderzoekscommissie-Dijsselbloem een handvol sprekende voorbeelden. Het rapport van de commissie laat zo niet alleen de diepe crisis zien die het onderwijs in Nederland de afgelopen twee decennia heeft getroffen, maar legt ook de vinger op de zere plek wat betreft het falen van het systeem.

De politici in Den Haag, zo maakt het rapport duidelijk, deden precies wat de overheid niet moet doen: zich bemoeien met de manier waarop het onderwijs op de scholen werd gegeven. En de taken die ze wel hadden, hebben ze verzuimd: heldere eisen stellen aan wat kinderen moeten leren. Plannen werden in Den Haag bedacht, dichtgetimmerd in regeerakkoorden en besproken met ‘het onderwijsveld’. Maar aan leraren, ouders en leerlingen werd niets gevraagd.

De gevolgen zijn desastreus te noemen. Met kwetsbare leerlingen zijn zelfs „grote risico’s” genomen. Zo mislukten de onderwijsvernieuwingen basisvorming, Tweede Fase en vmbo. Wie was daarvoor verantwoordelijk?

Iedereen, zegt de commissie. Hier was sprake van een „collectief falen”. De bewindslieden, voornamelijk van PvdA- en CDA-huize, hebben beleidswijzigingen niet voldoende doordacht en financieel onderbouwd. Er was te weinig geld. De verantwoordelijke kabinetsleden hielden zich doof voor onwelgevallige kritiek. Politiek draagvlak was belangrijker dan draagvlak ‘in het veld’.

Bewindslieden sloten deals, oefenden druk uit – vooral Tineke Netelenbos van de PvdA, zo staat in het rapport – en bereikten overeenstemming met belangengroepen die zelden de mening van hun achterban vertolkten. Op een gegeven moment had de Tweede Kamer daardoor geen zicht meer op wie wat steunde en of scholen klaar waren voor vernieuwingen. Het ministerie van Onderwijs voerde, midden in alle chaos, ook nog eens zélf een reorganisatie uit.

Individuele politici worden in het rapport niet gespaard. Ook hier wordt Tineke Netelenbos apart genoemd: zij schuwde „forse drukmiddelen” niet om te overtuigen, zo staat te lezen. Vergoelijkend zegt de commissie dat de bewindslieden soms niet anders konden. Ze moesten hun nauw omschreven regeerakkoord halen.

Een verrassende, positieve, rol is weggelegd voor de opvolger van Netelenbos, de in 2005 overleden Karin Adelmund (PvdA). Zij is vaak neergezet als een staatssecretaris met slappe knieën omdat ze de Tweede Fase lichter heeft gemaakt na scholierenprotesten, maar de commissie roemt haar nu om haar lef om te breken met funeste PvdA-ideologieën.

De ministers Hermans (VVD) en Van der Hoeven (CDA) heetten de bewindslieden te zijn die het onderwijs weer rust hebben gegeven na alle vernieuwingen. Maar nu blijkt dat zij het publiek hebben misleid door te zeggen dat het goed ging met het onderwijs, terwijl er allerlei signalen waren dat het niveau daalde.

De commissie adviseert dat ouders en leraren voortaan bij alle beslissingen over het onderwijs moeten worden betrokken. Dat kan wellicht de kloof dichten, tussen politici en burgers, tussen Den Haag en de klas.