Als het niet om de waarheid gaat maar om jezelf

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: het onderscheid tussen een leugen en bullshit.

De kwestie rondom Joran van der Sloot kan met recht een mediahype worden genoemd. Ruim zeven miljoen mensen keken op 3 februari naar de uitzending van Peter R. de Vries, waarin Van der Sloot zijn ‘bekentenis’ deed. De dagen erna vulden de praatprogramma’s en krantenkolommen zich met allerhande analyses van de zaak. En terwijl het publiek vooral vol afschuw napraat over de stuitende onverschilligheid van Van der Sloot („ik heb er geen nacht minder om geslapen”), buigt het juridische bedrijf zich nu over de vraag of zijn ‘bekentenis’ enige waarheidswaarde bevat.

Sprak Van der Sloot nu wél de waarheid? Of was het weer een van zijn vele leugens? Advocaat Bert de Rooij voert de notoire onbetrouwbaarheid van zijn cliënt thans ter verdediging aan: Joran is volgens hem een „serieleugenaar”, dus zijn ‘bekentenis’ tegenover Patrick van der Eem kan niet als bewijsmateriaal worden beschouwd. Ook Van der Sloot zelf heeft inmiddels alles weer ontkend tegenover het Openbaar Ministerie. De ‘bekentenis’ had hij bij elkaar „gefantaseerd”.

Maar gaat het hier eigenlijk wel om leugens? Of is er eerder sprake van wat de Amerikaanse filosoof Harry G. Frankfurt (1929) ooit bestempelde als bullshit? Het verschil lijkt in eerste instantie triviaal: bullshit (vrij vertaald: nonsens) is eigenlijk een soort leugen. Maar toch is er een cruciaal onderscheid, dat nog wel eens een rol zou kunnen gaan spelen in een eventuele strafzaak tegen Van der Sloot.

In zijn bestseller On Bullshit (2005) zet Frankfurt het verschil tussen leugens en bullshit nauwgezet uiteen. Volgens de emeritushoogleraar filosofie van Princeton University verhoudt een leugen zich op een bepaalde, plichtbewuste manier tegenover de waarheid. Immers, het is juist de waarheid die een leugenaar opzettelijk verdoezelt om zijn toehoorder te misleiden. De leugenaar legt in zekere zin „rekenschap af” jegens de waarheid, stelt Frankfurt. Het is voor hem van belang dat de waarheid niet naar buiten komt.

Juist daarin, zegt Frankfurt, verschilt een leugen van bullshit. Want, „de essentie van bullshit is niet dat het onwaar is, maar nep”. Anders dan de leugenaar heeft de bullshitter een „lack of concern for truth” – hij staat „onverschillig tegenover de waarheid”. En juist van die karakteristieke eigenschap heeft ook Joran van der Sloot tijdens zijn ‘bekentenis’ tegenover Van der Eem doorlopend blijk gegeven. Hij toonde zich niet alleen onverschillig over het lot van de verdwenen Natalee Holloway, maar ook over zijn eigen verklaringen.

Zo stelde hij eerst dat hij de naam van de vriend die hem geholpen zou hebben met het wegmaken van het lijk „tot in zijn graf” zou meenemen, om daags daarna te spreken over een zekere ‘Daury’. Ook zei hij dat het lichaam van Holloway „nooit meer gevonden” zou worden, om niet veel later te beweren dat hij „de lul” zou zijn „als het lichaam gevonden werd”. In de ogen van Frankfurt zou Van der Sloot dus géén leugenaar zijn: het maakt hem namelijk niks uit of hij wel of niet de waarheid spreekt.

Waarom is het onderscheid tussen een leugenaar en een bullshitter van belang? Welnu, zegt Frankfurt, „dat bullshit tot stand komt door onverschilligheid jegens hoe het werkelijk zit, hoeft nog niet te betekenen dat het niet klopt”. Met andere woorden: in bullshit zit, anders dan in een leugen, meestal een kern van waarheid. Dat Van der Sloot heeft ‘gefantaseerd’ in plaats van ‘gelogen’, maakt zijn ‘bekentenis’ dus alleen maar geloofwaardiger. De bullshitter laat zich namelijk, door zijn desinteresse in de waarheid, gemakkelijker (delen van) de waarheid ontvallen.

Frankfurt constateert daarom ook dat bullshitters, anders dan leugenaars, „overdreven gedetailleerd” spreken. De echtgenoot die tegenover zijn vrouw liegt over zijn affaire zal geneigd zijn zich eerder te hullen in vaagheden dan in details: hij moest ‘overwerken’ zonder erbij te vermelden waarom, tot hoe laat en met wie. Want, zijn gevoel zegt: hoe meer ik verklap, des te moeilijker is de leugen vol te houden.

Bullshit komt daarentegen op omgekeerde wijze tot stand. Juist de details zijn voor de bullshitter van belang. Neem de meest wijdverspreide – en maatschappelijk geaccepteerde – vorm van bullshit: reclame. Aanprijzingen van producten geven zelden blijk van enig plichtsbesef jegens de waarheid (‘tien jaar jonger in dertig dagen’, ‘wast nu twee keer zo wit’), maar zijn vaak wél opvallend precies (‘35 procent meer effect’, ‘zeven uur durende werking’). Het zijn geen leugens; ze bevatten immers een kern van waarheid. Maar het zijn ook geen waarheden: de werkelijkheid doet er in reclames niet toe. Het is dus op zijn minst opvallend te noemen hoe gedetailleerd Van der Sloot sprak over die beruchte avond op het strand; dat zou een gemiddelde leugenaar nooit doen.

De vraag is natuurlijk waarom mensen soms liever bullshit verkondigen, als ze eigenlijk beter zouden kunnen liegen. Volgens Frankfurt heeft dat de maken met het doel dat de spreker beoogt. Een leugenaar wil zijn toehoorder doen geloven in een onjuiste representatie van de werkelijkheid. Zijn doel is: een onwaarheid de wereld in helpen. Maar voor bullshitters gaat dat niet op. „Waar de bullshitter zich om bekommert”, zegt Frankfurt, „is hoe mensen denken over hem”.

Anders gezegd, het gaat de bullshitter niet om de feiten die hij bewust overdrijft of onjuist weergeeft. Het gaat hem om het beeld dat mensen van hem krijgen. Frankfurt noemt als voorbeeld de Amerikaanse politici die steevast verkondigen hoe de Founding Fathers „de hele wereld” hebben veranderd. De opzet daarvan, zegt Frankfurt, is niet „om het publiek te bedriegen”, hoewel het evident is dat de grondleggers van de Amerikaanse Grondwet niet ‘de hele wereld’ hebben veranderd. Nee, het doel is „om als patriot over te komen”. Ook hier is de vergelijking met Joran van der Sloot duidelijk: hij wilde zijn toehoorder Patrick van der Eem niet misleiden, maar imponeren. Hij koos daarvoor het verhaal dat hij het meest geschikt achtte. Het deed er niet toe of het ‘waar’ was of ‘onwaar’.

Deze onverschilligheid jegens de waarheid zou overigens ook een verklaring kunnen zijn voor de vertrouwensband die – ogenschijnlijk uit het niets – is ontstaan tussen Van der Sloot en Van der Eem. Immers, Joran dacht precies op dat punt een gelijke in Patrick te hebben gevonden. Laatstgenoemde toonde zich namelijk herhaaldelijk „niet geïnteresseerd” in de zaak-Holloway. Niet dat Joran er niet over wilde praten – integendeel, hij is er meermaals zelf over begonnen, aldus Van der Eem. Maar het moet diens desinteresse zijn geweest die het vertrouwen bij Joran wekte: zo dacht hij er zelf ook over.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat de ‘bekentenis’ eruit kwam, toen deze twee bullshitters eenmaal onder elkaar waren in de auto. In het Engels heeft men daar zelfs een woord voor: bull session – een informeel gesprek tussen twee of meerdere mensen over een zeer gevoelig onderwerp (zoals politiek, religie of seks), waarin de participanten vrijelijk kunnen spreken, omdat het gesprek off the record plaatsvindt. Of, zoals Frankfurt het formuleert: een bull session is „niet echt”. Tijdens dat soort sessies spreken mensen meestal eerlijker over hun gedachten en gevoelens dan in ‘gewone’ gesprekken.

Men zou dus voorzichtig kunnen concluderen dat het verhaal van Van der Sloot meer waarheidswaarde bevat dan zijn advocaat wil doen voorkomen. Met de theorie van Frankfurt in het achterhoofd lijkt het in ieder geval onwaarschijnlijk dat Joran een ‘pathologisch leugenaar’ is – hij is een bullshitter.

De enige geruststelling die Frankfurt hem dan kan geven, is dat bullshit „een van de meeste karakteristieke kenmerken van onze cultuur” is, maar dát pleit hem waarschijnlijk niet vrij.