VN-missie laat in Kosovo ‘zwart gat’ achter

Negen jaar na de komst van VN-missie UNMIK in Kosovo schamen betrokkenen zich diep. De EU-missie, die UNMIK vervangt, landt in „een zwart gat”.

Met zijn duim en wijsvinger maakt Johan van Lamoen in de lucht een nul. „Mijn sollicitatie bij de nieuwe EU-missie is op niets uitgelopen”, zegt de Nederlandse diplomaat in zijn kantoor in de Kosovaarse hoofdstad Priština. Van Lamoen is hoofd van de juridische sectie van UNMIK, het VN-bestuur in Kosovo. Het zit er voor hem bijna op.

Binnen enkele weken arriveert in Kosovo een EU-missie die er het werk van UNMIK overneemt. Het verbaast Van Lamoen dat hij niet is gerekruteerd. „Het is voor de EU-gezanten van groot belang dat ze weten met wie ze straks zaken doen. Ik zit hier sinds april 2005, ik weet wat er speelt. Ze hadden me goed kunnen gebruiken, maar kennelijk willen ze beginnen met een schone lei.”

Zondag verklaart Kosovo zich naar alle waarschijnlijkheid onafhankelijk.

‘Wat omhoog gaat, komt ook weer naar beneden’, staat in een brief waarin de tienduizenden in Kosovo werkzame ‘internationals’ worden gewaarschuwd voor de risico’s tijdens het verwachte volksfeest. Het is voor de Kosovo-Albanezen een gelegenheid bij uitstek om volgens de beste Balkantradities hun geweren uit vreugde leeg te schieten in de lucht. De 16.000 soldaten van de vredesmacht KFOR hebben een helm. Maar voor de duizenden werknemers van UNMIK, OVSE (Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) en hulporganisaties geldt het dwingende advies: binnen blijven.

De Kosovaren maken zich op voor een nieuwe toekomst. Maar aan de vooravond van de onafhankelijkheidsverklaring wordt ook de balans opgemaakt over UNMIK. In 1999, meteen na de oorlog om Kosovo, begon de missie. Nu, negen jaar later, vragen betrokkenen zich af: ‘Wat hebben we bereikt? Wat voor bouwwerk dragen we over aan de EU? Wat hebben we van Kosovo gemaakt?’

Tientallen miljarden euro’s – niemand heeft nog een overzicht van het totale bedrag – spendeerde de internationale gemeenschap aan een provincie met amper twee miljoen inwoners. Het doel: het brengen van democratie, deugdelijke rechtspraak en economische wederopbouw. Over alles dat hoort bij het opbouwen van een land kreeg UNMIK de zeggenschap. Over uitspraken van rechters, over procedures bij privatisering van staatsbedrijven, zelfs over het stratenplan van Priština en de sluitingstijden van café’s. Wat aan Kosovaren zelf werd overgelaten kreeg het stempel ‘provisional’: een voorlopige regering, een voorlopige grondwet, een voorlopige Ombudsman.

Met een gezicht vol walging spreekt ombudsman Hilmi Jashari, een tengere Kosovaarse intellectueel, het woord ‘voorlopig’ uit. „Deze duale bestuursstructuur heeft geresulteerd in een verrotte samenleving, een zwart gat. Als dingen fout gaan wijst UNMIK met een vinger naar de Kosovaarse politici. En andersom net zo. Zo blijft iedereen buiten schot.”

Negen jaar later wordt Kosovo in kritische rapporten omschreven als ‘een doorvoerland van drugs’ en een broeinest voor mensensmokkel. Benzinestations, bordelen en motels zijn er in overvloed, in de berm van de weg – het zijn de witwasprojecten van steenrijke Kosovaarse maffiabazen. Tegelijk leeft ruim een kwart van de Kosovaren van amper drie euro per dag.

„Het is bij de beesten af wat er hier gebeurt”, zegt een voormalige UNMIK-medewerker die anoniem wenst te blijven. „UNMIK heeft niets om trots op te zijn. De Kosovaarse politiek is er een van strijdende clans waartegen UNMIK niet heeft willen optreden. Voor de grootschalige corruptie heeft UNMIK de ogen gesloten. Ze willen de missie beëindigen zonder al te veel gezeur. Ook corruptie binnen UNMIK zelf wordt verzwegen.”

In een recent rapport oordeelde Amnesty International streng over UNMIK die volgens de mensenrechtenorganisatie honderden oorlogsmisdaden onbestraft laat. In 2007 concludeerde het Instituut voor Europese Politiek (IEP) in Berlijn dat UNMIK „heeft gefaald in het bouwen aan een stabiele, multi-etnische samenleving”, hetgeen de kernopdracht van de missie was. IEP beschuldigt „bepaalde stafleden van UNMIK en KFOR” openlijk van betrokkenheid bij de Kosovaarse georganiseerde misdaad.

De ‘Koning van Unmikistan’ luidt in Kosovo de bijnaam van het hoofd van de VN-missie. Kosovo maakte na 1999 kennis met in totaal zes ‘koningen’. De huidige, sinds zomer 2006, is de Duitse diplomaat Joachim Rücker die werd geconfronteerd met een schandaal rond de tweede man van de missie, de Amerikaan Steven Schook.

Tegen Schook, eerder commandant van de KFOR in Kosovo, werd vorig jaar een onderzoek gestart wegens wangedrag tegenover Kosovaarse vrouwen en zijn rol in de privatisering van de energiesector waarbij hij bevriende zakenlieden voortrok. In december 2007 werd zijn contract niet verlengd. „En weg was hij”, zegt ombudsman Jashari. „UNMIK-personeel geniet hier immuniteit, ze staan boven de Kosovaarse wet.” Volgens Jashari heeft het UNMIK ontbroken aan politieke wil. „Het was laf en stuurloos. Als bleek dat ze zaken deden met criminele politici werd dat stil gehouden, om geen gezichtsverlies te lijden.”

Naast opluchting over het vertrek van UNMIK is er ook angst, zegt Ilir Dugolli van de Kosovaarse denktank KIPRED. „De economie, sterk afhankelijk van de uitgaven van UNMIK-personeel, stort deels in. En daarnaast weet iedereen dat we het zonder toezicht niet redden.” Dugolli raadt de nieuwe toezichthouder, de EU-missie, aan om beter gekwalificeerde mensen te sturen.

Op de meeste stoplichten in Priština hebben actievoerders inmiddels het roodsein beschilderd met ‘Jo EU’ (‘Nee tegen de EU’).

„De EU-missie wacht een zware taak,” zegt de Nederlandse VN-diplomaat Johan van Lamoen. Hij noemt de Kosovo-missie met terugwerkende kracht een ‘mission impossible’. „We gingen bouwen aan een multi-etnische samenleving terwijl dit, naar nu blijkt, geen kans van slagen had. De jongere generatie Albanezen en Serviërs spreken elkaars taal niet eens.” De missie had volgens hem hooguit vijf jaar moeten duren. „Voor dit soort missies moet een VN-blauwdruk zijn waarmee iedereen snel aan de slag kan, in plaats van het wiel opnieuw uit te vinden. We laten nu een fabriek aan wetgeving achter. De vraag is of de Kosovaren weten waar het bedieningspaneel is.”