Snelrecht in Rotterdam komt er maar niet van

Het Rotterdamse snelrecht functioneert nog niet zoals gemeente en justitie graag zouden willen. Bij gebrek aan capaciteit worden vandalen en geweldplegers niet onmiddellijk berecht, maar moeten zij net als voorheen minimaal drie tot vier weken wachten voordat de politierechter zich over hen uitspreekt.

Dat is een streep door de rekening van burgemeester Ivo Opstelten, die vorige maand in zijn nieuwjaarstoespraak een lik-op-stukbeleid afkondigde. Geweldplegers die gezagsdragers, hulpverleners en andere werknemers met publieke functies belagen, zouden met onmiddellijke ingang onder het ‘supersnelrecht’ vallen, was zijn boodschap. Het Openbaar Ministerie (OM) nuanceerde die woorden een week later met de mededeling dat de maatregel per 1 februari van kracht zou worden.

Maar ook die datum is inmiddels tot nader order opgeschoven. „We krijgen de zittingen voorlopig helaas niet ingeroosterd”, zegt een woordvoerder van het Openbaar Ministerie in Rotterdam. „Toch proberen we, zo goed en zo kwaad als dat gaat, al wel te handelen in de geest van het supersnelrecht.” Zo zijn vier van de zes verdachten van de ongeregeldheden en grootscheepse vernielingen rond Oud en Nieuw weliswaar weer weggestuurd, maar wel mét een dagvaarding op zak voor de politierechter.

Rotterdam zou de eerste stad in Nederland zijn die snelrecht bij verbaal en fysiek geweld op agenten, ambulancepersoneel en controleurs in het openbaar vervoer invoert als bescherming voor overheidsdienaren.

De vertraging staat voor volgende week dinsdag hoog op de agenda, wanneer burgemeester Opstelten overleg voert met hoofdofficier van justitie Henk Korvinus en korpschef Aad Meijboom. De grootste partijen in de Rotterdamse gemeenteraad zijn ontevreden over de vertraging.