Risico’s bij ‘megastal’

Megastallen met duizenden dieren kunnen een gevaar vormen voor de volksgezondheid, maar verbeteringen bieden op gebieden als milieu, dierenwelzijn, diergezondheid of landschap. Dit staat in een advies dat vandaag aan de Tweede Kamer wordt aangeboden.

Het advies is opgesteld door het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP), de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA), de Raad voor het Landelijk Gebied (RLG) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Er is een groeiend aantal vergunningaanvragen voor megastallen, waartegen soms sterk lokaal verzet is. Ook organisaties als Milieudefensie voeren actie tegen deze stallen. Een megastal telt minimaal 12.500 mestvarkens of 2.000 zeugen. Bij pluimvee gaat het om minstens 185.000 legkippen of 360.000 vleeskuikens.

Door de groei van het aantal megastallen kunnen infectieziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn vaker voorkomen, stelt het RIVM. In grotere groepen dieren komen bacteriën en virussen vaker en langer voor, waardoor de kans groter is op het ontstaan van, bijvoorbeeld, een nieuw griepvirus dat dodelijk is voor de mens.

Een tweede probleem dat het RIVM ziet is de toenemende resistentie van bacteriën tegen antibiotica. Oorzaak is dat het gebruik van antibiotica de afgelopen tien jaar met 50 procent is gestegen terwijl de veestapel gelijk is gebleven. Het RIVM adviseert om bedrijven op ruime afstand van elkaar te houden, geen varkens en kippen op hetzelfde bedrijf te houden en het antibioticagebruik te verminderen.

De uitstoot van broeikasgassen kan dalen, stelt het MNP, als nieuwe stallen worden uitgerust met apparatuur als luchtwassers. Qua dierenwelzijn maakt het niet veel uit voor een varken of kip of het dier op een groot of megagroot bedrijf gehouden wordt, stelt de RDA.