Parodie Andrea Fraser op jubelende kunstpraatjes

Stills uit ‘Official Welcome’ van Andrea Fraser, dvd uit 2003

Tentoonstelling: Andrea Fraser, t/m 2 maart in De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem. Di-za 11-17u, zo 12-17u. Inl.: 023 5115775 / www.dehallen.nl

De gids in de film Gallery Talk van Andrea Fraser valt geen moment uit haar rol tijdens haar rondleiding door het Philadelphia Museum. Ze glimlacht als een sektelid dat de boodschap van het beloofde land mag verkondigen. Haar beloofde land is de wereld van de kunst, die beschaving en verlichting biedt, die de gegoede klassen scheidt van de armen, die, kortom, alles is wat deze keurige dame wil zijn. „Het museum toont alles wat nobel is”, zegt ze. Ze gaat zo op in haar lofzang dat ze ook het fonteintje in de wc bejubelt.

In het bedrijfsleven noemen ze het ‘bullshit bingo’: wollige taal om je product meer gewicht te geven. De gefilmde monologen van Andrea Fraser draaien om retoriek, en ze zijn allemaal samengesteld uit echte uitspraken van gidsen en kunstenaars. En o, wat zijn die uitspraken erg – vooral die van kunstenaars die over hun motieven vertellen. Op de solotentoonstelling met Frasers films en foto’s valt veel te lachen, maar de films vertellen ook over het hoe en waarom van deze rookgordijnen.

De galerie-assistente in May I help you? praat lyrisch over de verschillen tussen de toch echt identieke zwarte schilderijtjes in haar expositie. Dat is grotendeels een Amerikaanse vinding uit de jaren vijftig. Een kunstcriticus zette toen schilders als Pollock en De Kooning samen als ‘abstract expressionisme’ in de markt, met spirituele teksten. Feministen doen dit sindsdien af als mannelijk machtsvertoon. Zo ook Fraser met haar fotowerken. Hierin combineert ze Pollocks macho verfsmijterij met lieflijke Italiaanse madonna’s – stereotiep op stereotiep.

Hoe machoretoriek sindsdien echoot in de kunst, blijkt in de grappige film die ze opnam in het Guggenheim van Bilbao. Fraser volgde daar een audiotour die de enorme marmeren pijlers van het museumgebouw roemt in bijna erotische bewoordingen. Fraser ridiculiseert dit door de instructies – ‘streel het marmer’ – op te volgen en de muur te gaan opvrijen.

Eind vorig jaar laaide in Engeland de discussie op waarom de kunstwereld toch zo blank is. De oorzaak wordt gezocht in klasseverschillen. Dat beeldende kunst klassegebonden is, vertellen ook de films van Fraser. Voor de blanke museumvrijwilligsters met parelkettingen, die Fraser overigens vaak zelf speelt, dienen musea en kunst om de sociale status quo te handhaven. In een historische rondleiding in de film Welcome to Wadsworth verhaalt de museumgids alleen over weldoeners die voor elkaar plaquettes en museumvleugels oprichten. Ook zij behoort tot deze ‘stamboom’.

Als geen ander maakt Fraser duidelijk dat de kunstwereld eigenlijk een samenzwering is. De galerieassistente in May I help you? zit in het complot maar is ook slachtoffer. Musea vertellen haar dat ze erheen moet om cultuur op te snuiven en dat kunst is gemaakt om te mystificeren. Ze voelt zich er klein door, geeft ze toe. Wat ze niet zegt, is dat het alternatief geen optie is: uitgestoten worden naar de vulgaire maatschappij van lagere klassen die niet aan kunst doen. Dan valt haar wereld uit elkaar.