Nut Benelux moet zich bewijzen

De Benelux is 50 jaar. De archaïsche organisatie heeft voldoende bestaanrecht. „Waar Europa wat laat liggen, kunnen wij het voortouw nemen.”

Enthousiast vertelt Tweede Kamerlid Frans Weekers (VVD) dat de Luxemburgse televisie de vergadering van het Beneluxparlement begin maart live uitzendt. Hoge kijkcijfers zal het niet scoren, vervolgt de delegatieleider van de Nederlandse politici in het Beneluxparlement. Want de laatste jaren haalt de Benelux zelden de krantenkolommen en als die al gehaald werden, ging het vooral over hoe het in de toekomst met de samenwerking tussen België, Nederland en Luxemburg verder moet. Nu het Benelux-verdrag na vijftig jaar afloopt, is het tijd voor vernieuwing.

Tijdens de plenaire vergadering in maart spreken de parlementsleden over de toekomst van de in 1958 opgerichte Benelux Economische Unie. Vandaag debatteert de Tweede Kamer daarover.

De Nederlandse regering vindt dat opheffen van de Benelux uitgesloten is omdat die in het verleden haar waarde heeft bewezen, laat een woordvoerder van minister Verhagen (Buitenlandse Zaken, CDA) weten. De unie heeft binnen Europa vaak voorop gelopen en moet dat volgens de regering ook de toekomst doen. In het vernieuwde verdrag dat na 2010 ingaat moet de unie zich vooral concentreren op drie punten: veiligheid, duurzaamheid en de economische markt.

In grote lijnen lijkt daarmee de toekomst vast te liggen: de Benelux als voorbeeld en voorvechter voor onderlinge samenwerking tussen landen. Of in de woorden van de politici: de unie moet weer „de proeftuin van grensoverschrijdende samenwerking” zijn.

„Kwesties die inmiddels door de Europese Unie worden geregeld, hoeven wij als Benelux niet nog eens over te doen. Maar daar waar Europa nog wat laat liggen, kunnen wij juist het voortouw nemen”, zegt Weekers. De VVD-politicus denkt aan onderwerpen als het uitwisselen van politieagenten nabij de grens, samenwerking op het gebied van energie of zoals enkele maanden geleden nog gesuggereerd werd: één tarief voor mobiel bellen binnen de drie landen. „We moeten ons actualiseren”, vat lid van het Beneluxparlement en voormalig minister-president van Vlaanderen Luc van den Brande de toekomstplannen samen. „Daarbij moeten we ons ook durven richten op thema’s als energie, milieu en duurzame ontwikkeling.”

Wat kunnen de Beneluxparlementariërs zelf van die ambities realiseren? Opvallend is dat het parlement eigenlijk geen parlement is maar een raad. De parlementariërs mogen namelijk niets beslissen. Officieel hebben de 49 leden (21 Nederlanders, 21 Belgen en 7 Luxemburgers) de taak economische en grensoverschrijdende samenwerking tussen de drie landen te bevorderen en hun regeringen daarover te adviseren.

In de praktijk komt het erop neer dat ze werkbezoeken afleggen, rapporten schrijven en aanbevelingen doen aan de nationale regeringen. Ook stellen ze vragen aan de bewindslieden van de drie landen. Vervolgens kunnen de leden in bijvoorbeeld de Tweede Kamer ministers en staatssecretarissen daadwerkelijk ergens om vragen. Allen zijn namelijk volksvertegenwoordiger in eigen land.

Hoewel het Beneluxparlement nu en dan onderwerpen op de politieke agenda weet te zetten, is de kritiek dat het vaak te veel bij gepraat blijft. En die kritiek is niet geheel onterecht, vinden de parlementsleden. Eric Janse de Jonge, Eerste Kamerlid (CDA) en lid van het Beneluxparlement, valt het op dat de Benelux een „archaïsche organisatie is” en er binnen het parlement „commissies zijn die niets meer toevoegen”.

Weekers en Van den Brande onderschrijven het punt dat Janse de Jonge aanstipt. Voor het parlement geldt dan ook hetzelfde credo als voor de Benelux op zich: dat wat overbodig is afschaffen en prioriteiten stellen.

Jan Willem Brouwer, Beneluxdeskundige en onderzoeker aan de Radboud Universiteit Nijmegen, betwijfelt of dat doel haalbaar is. Vorig jaar bracht de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) een rapport uit over de Benelux. Ook daarin werd een zogenoemde proeftuin geschetst als toekomstperspectief. Maar veertien jaar geleden werd daar in vergelijkbare rapporten al over gesproken, weet Brouwer. „Met andere woorden: in al die jaren is er nagenoeg niets verbeterd.”

Hoewel de discussie over het wel of niet verlengen van het Beneluxverdrag al besproken lijkt, rijst de vraag waarom de Benelux voortgezet moet worden. Weekers, Janse de Jonge en Van den Brande delen dezelfde mening: tussen de Europese Unie en de nationale overheden is politieke ruimte om onderwerpen op de kaart te zetten en wetgeving tussen de landen onderling op elkaar af te stemmen. „Daarbij moet je het informele circuit niet onderschatten. Bij het diner worden de zaken gedaan”, voegt Janse de Jonge toe.

Brouwer – die zelf voor het afschaffen van de Benelux is – meent echter dat alle taken zijn overgenomen door de Europese Unie of kunnen volgens hem zonder moeite door ambtenaren onderling worden geregeld. „Maar ik begrijp best waarom de politiek er niets in ziet om de Benelux op te heffen. Daarmee zou je het signaal afgeven dat je de samenwerking tussen de drie landen niet meer van belang acht en dat kun je natuurlijk niet maken.”