Nederland moet creoliseren, niet assimileren

Nederlanders vrezen etnische groepsvorming. Die associëren ze met verzuiling. Ten onrechte, vindt een socioloog met Surinaamse wortels.

In Nederland bestaat angst voor etnische en religieuze groepsvorming. Die is intussen zo groot dat de multiculturele samenleving een vrijwel onbespreekbaar onderwerp is. Dat constateert de socioloog en ontwikkelingseconoom Ruben Gowricharn, die in Tilburg de leerstoel sociale cohesie en transnationale studies bekleedt. Hij vindt die vrees ongegrond. Volgens hem kan Nederland leren van zijn eigen geboorteland, ex-kolonie Suriname. Vorige week hield Gowricharn de Van Lier-lezing. De Leidse socioloog Rudolf van Lier (1914-1987) schreef ruim een halve eeuw geleden het standaardwerk Samenleving in een Grensgebied. Daarin schetste hij het plurale Suriname met zijn vele bevolkingsgroepen die zich onderscheiden in ras, godsdienst, soms taal.

Gowricharn noemde de toenemende druk op allochtonen in Nederland om te assimileren „een weinig verlichte reactie op een natuurlijke staat van menselijke samenlevingen”. In Suriname boden de hindostanen, afstammelingen van contractarbeiders uit Brits-Indië, met succes weerstand aan de druk van de dominante Afro-Amerikaanse creolen om te assimileren. „Eenheid in verscheidenheid is een ideologie waarin Surinamers geloven”, zegt hij. „De etnische groep is een productieve organisatie voor de leden.”

De vrees in Nederland voor groepsvorming heeft volgens Gowricharn veel te maken met de recente geschiedenis. De Nederlandse bevolking was lang opgedeeld in wereldbeschouwelijke zuilen, die ieder hun eigen scholen, media en andere instellingen hadden. Die zuilen hielden de verschillende bevolkingsgroepen gescheiden, maar hielpen bij hun emancipatie. „De generatie die nu de toon aangeeft, is die van vijftigplussers die het verzuilde Nederland nog hebben gekend. Die associëren elke groepsvorming ten onrechte met een gesloten zuil. Ik noem dat zuileneczeem.” Ook wanneer een bevolkingsgroep is geëmancipeerd kan bij mensen die zich verwant voelen de „existentiële behoefte” bestaan om bij elkaar te blijven. Gowricharn: „Ik vind diversiteit een liberaal-democratische waarde. Politieke vrijheid en diversiteit gaan samen.’’

Gowricharn noemt ‘creolisering’ een formule voor succes. Dat is een term uit de caraïbistiek waarmee een vermenging van cultuurelementen wordt aangeduid, te beginnen bij de taal. Het houdt het midden tussen volledige assimilatie en ‘etnisering’, volledig terugvallen op de cultuur in het land van herkomst. „Creolisering begon hier met de Indische Nederlanders. Die hebben een subcultuur die voor een deel Indonesisch is, maar tegelijk heel Nederlands.”

„Integreren kun je ook als groep”, zegt Gowricharn. „Dat doen hindostanen in Suriname, maar dat doen Turken in Nederland ook. Zij hebben een sterk groepsbesef en gedragen zich als kleinkinderen van Atatürk. Ze zijn goed georganiseerd en chauvinistisch. Ze emanciperen zich ook via ondernemerschap. Tegelijk vinden ze dat je modern moet zijn. Daarvoor moet je westers onderwijs hebben gevolgd, op die manier krijg je respect en zelfrespect. Dan kan je als vrouw eisen stellen aan een kandidaat-echtgenoot.”

Leidt groepsvorming niet tot het optrekken van schotten?

„Nee, want de gemeenschap als geheel is aangesloten op de nieuwe samenleving, onder meer via onderwijs. Ook dat zie je het scherpst bij vrouwen. Zij zijn door onderwijs geweldig geëmancipeerd.”

En Marokkanen in Nederland?

„Bij hen zie je nu ook groepsvorming op gang komen, maar dat gebeurt onder druk van buiten, kritiek op de islam. Omdat ze worden aangevallen zoeken ze het debat. Vooral geschoolde mensen, met netwerken, ook bij media.”

Wordt de Nederlandse samenleving beter van groepsvorming?

„Ja, in eerste plaats de Marokkaanse gemeenschap zelf. Want daarin komt steeds meer discussie op gang. Bijvoorbeeld over imams. Marokkanen kun je vergelijken met de Surinaamse creolen die in de jaren zeventig naar Nederland kwamen. Creolen kenden lange tijd losse gezinsstructuren, kinderen die je niet altijd kon sturen, terwijl moeder moest werken, criminaliteit. Dat hebben veel Marokkaanse gezinnen ook. Kinderen die op straat opgroeien en bijna een maatschappelijk kwaad zijn geworden. Intussen zijn de Surinaamse creolen massaal ingetrouwd, ze hebben kerngezinnen gevormd en de tweede generatie doet het perfect. Marokkanen zullen dezelfde route volgen.’’

Maar er is veel schooluitval.

„Er is wel degelijk sprake van sociale stijging bij Marokkanen. Die gemeenschap heeft veel gezichten. Het gezicht van de straatschuimers, van de moslimradicalen, maar ook dat van de geslaagde cabaretiers en romanschrijvers en knuffelallochtonen à la Aboutaleb. Natuurlijk hou je achterblijvers. Tweedeling is een normaal verschijnsel in emancipatieprocessen. Niet iedereen voegt zich in de nieuwe middenklasse.’’

Hoe zoudt u karakteriseren wat er nu in Nederland gebeurt?

„Deels assimilatie, deels etnisering. Op het gebied van de taal en sociaal-politieke waarden, zoals gelijkheid van man en vrouw, op al die terreinen zie je een gestage assimilatie. Etnisering is deels een reactie op interne en deels op internationale ontwikkelingen, Bollywood-cultuur bij hindostanen, godsdienst bij moslims; die beleeft een reveil. Bij moslima’s is dat te zien aan hoofddoekjes. Maar het hoofddoekje van de tweede generatie is modieus, sexy.”

Het is dus gecreoliseerd?

„Ja. En dat religieuze reveil komt omdat deze generatie vroeger is weggezet als kinderen van losers.”

Wat leren we van Suriname?

„Dat je veel ontspannener kunt omgaan met verschillen. Groepsvorming is geen probleem zolang groepen transparant zijn, ook voor de overheid. Laat, bijvoorbeeld, Marokkanen eigen voormannen kiezen, geef hun verantwoordelijkheid, maar maak ze ook gesprekspartner. Scheiding tussen kerk en staat moet je zo invullen dat de staat zich onpartijdig opstelt tegenover kerkgenootschappen, maar zich er af en toe best mee mag bemoeien. ”