Meer openheid over risico’s

Het idee om wetten en regels voor financiële markten aan te scherpen na de kredietcrisis wint terrein. Het risico van nieuwe marktverstoringen ligt echter op de loer.

Hoe groot moet de schade zijn voordat er ingegrepen wordt?

Gisteren werd bekend dat de malaise op de internationale geldmarkten beleggers tot nu toe 5.200 miljard dollar (3.580 miljard euro) hebben gekost. De teller van afschrijvingen van grote zakenbanken staat inmiddels op bijna 150 miljard dollar en loopt nog hard door. En door aanhoudende onrust op de financiële markten staat de economische groei in de VS en (iets minder) Europa onder druk.

Langzaam maar zeker begint duidelijk te worden welke lessen te trekken zijn uit de kredietcrisis. En belangrijker nog: toezichthouders, centrale bankiers en regeringsleiders denken na over oplossingen om een nieuw debacle te voorkomen. De ministers van Financiën van de zeven rijkste industrielanden (G7) zeiden dit weekend in Tokio te willen ingrijpen. Zij doen dat aan de hand van een rapport van het Financial Stability Forum (FSF).

Het FSF, dat gelieerd is aan de G7, legt in een voorlopige analyse de fouten van het bancaire systeem bloot. Het verlangen naar hogere rendementen en wereldwijde hoge economische groei leidde tot een golf van vaak zeer complexe financiële innovaties. De risico’s op die producten raakten daarbij zover uit zicht, dat het risicomanagement bij de banken faalde.

Volgens het FSF zijn er zes redenen aan te wijzen die aan de basis staan van het opbouwen van de risicovolle posities. Allereerst de slechte en soms zelfs frauduleuze werkwijze van Amerikaanse hypotheekverstrekkers, die gaten blootleggen in het Amerikaanse toezicht. Dan: tekortkomingen in de praktijk van risicobeheer binnen de financiële instellingen. Ten derde, een excessief, bijna mechanisch vertrouwen in de rol van kredietbeoordelaars, terwijl een echt begrip van wát er nou precies gewaardeerd werd vaak ontbrak. Ten vierde: de kredietbeoordelaars zelf hebben steken laten vallen. Ten vijfde geeft de huidige wet- en regelgeving banken en financiële instellingen verkeerde prikkels. Ten slotte waren banken te weinig transparant over de risico’s die zij met hun beleggingen liepen.

Interessant is dat het FSF aan deze analyse een (voorlopige) reeks aanbevelingen vastknoopt, die op voorhand op steun van de G7 kunnen rekenen. Doel: zorgen dat het financiële systeem zo stabiel wordt, dat een nieuwe crisis minder dramatische gevolgen heeft.

Dat vergt bovenal samenwerking tussen de diverse internationale toezichthouders en centrale banken. Sinds de centrale banken van Amerika, Europa en Groot-Brittannië eind vorig jaar zijn gaan samenwerken in het bestrijden van de problemen op de geldmarkten, lopen de kosten voor commerciële banken om geld te lenen niet meer uiteen.

Naast samenwerking stelt het FSF voor om het bankentoezicht zoals vastgelegd in het Basel II-akkoord aan te passen. Zo moeten er grotere geldbuffers worden aangehouden door banken dan tot nu toe, om klappen op te vangen. Ook zou het van de balans halen van grote pakketten leningen verder ontmoedigd moeten worden.

Het FSF wil ook de rol van kredietbeoordelaars aan banden leggen. Onder Basel II mogen banken hun eigen waarderingsmodellen gebruiken, of die van een kredietbeoordelaar. Ook als zij van die laatste optie gebruikmaken, zullen zij in de toekomst meer zelf moeten blijven meekijken in plaats van volledig te vertrouwen op de kredietbeoordelaars. De kredietbeoordelaars zelf moeten opener worden over hun werkwijze en over onzekerheden in hun ratings.

Het FSF loopt één risico: dat nieuwe regelgeving leidt tot het nemen van juist grotere risico’s in plaats van kleinere. Het is zaak een balans te vinden tussen het aanscherpen van de regels, zonder nieuwe marktverstoringen te creëren. In april komt het definitieve FSF-rapport.

Het voorlopige FSF-rapport via www.nrc.nl/kredietcrisis