Diep geschokt van mijn reis door westen van Kenia

Robbert van Lanschot reisde vorige week per bus door het westen van Kenia.

Een persoonlijk verslag over plunderingen, verlaten dorpen en gezuiverde wijken.

Vorige week reisde ik per bus door West-Kenia. Van Kisumu aan het meer van Victoria via Eldoret naar Nakuru met als eindpunt hoofdstad Nairobi. Vierhonderd kilometer door een gebied dat bol staat van de etnische spanningen. Ik wilde met eigen ogen zien wat er in het land aan de hand is. De crisis – die ontstond na de presidentsverkiezingen eind december – kan grote gevolgen hebben voor een achterland dat Burundi, Rwanda, Oeganda, Somalië, Zuid-Soedan en het oosten van de Democratische Republiek Congo omvat.

Wat ik onderweg heb meegemaakt heeft me diep geschokt. Het begon al meteen in de stad Kisumu, waar de Luo de leden van de stam van president Kibaki, de Kikuyu, hebben verdreven. De Luo menen dat Kibaki de verkiezingen heeft ‘gestolen’. En ze zijn ervan overtuigd dat hun leider, Raila Odinga (een Luo), in december de echte overwinnaar was. Nu zijn in Kisumu misschien nog zo’n 150 Kikuyu aanwezig. Ze vrezen voor hun leven en hebben een veilig heenkomen gezocht op politiebureaus. Nog maar een maand geleden hadden de Kikuyu in de stad de transportsector en een groot deel van de detailhandel in handen. Nu lagen de Kikuyu-wijken er geblakerd en ‘gezuiverd’ bij.

Nog akeliger om te aanschouwen waren de landelijke gebieden tussen Kisumu en Eldoret en tussen Eldoret en Nakuru. Daar was de etnische verdrijving nog in volle gang. Dorpen waarvan het Kikuyu-deel nog nasmeulde. Overal plunderingen. En langs de weg Kikuyu, die met hun povere huisraad zaten te wachten op vervoer, terwijl vanuit allerlei zijwegen nieuwe ontheemden naar de hoofdweg toestroomden. De stad Eldoret, die vooral door mensen van de Kalenjin-stam wordt bewoond, is gelukkig nog wel gemêleerd.

Niet ver van Eldoret ligt Kiambaa, de plek waar een woedende menigte vlak na het uitbreken van het geweld een kerk vol Kikuyu in brand stak. Zeker 32 mensen kwamen om. Ik wilde Kiambaa bezoeken als een soort eerbetoon. Maar de mensen in Eldoret waarschuwden dat dat erg gevaarlijk was. Twee Kalenjin-politiemannen waren bereid om tegen betaling met me mee te gaan. Het gebied bleek een wirwar van lapjes grond, weggetjes en zandpaden. Overal stonden huisjes, inmiddels verlaten en afgebrand. Het enige geluid was het geritsel van de wind door de uitgedroogde maïshalmen van de vorige oogst. Dit was dus de onwezenlijke stilte die je associeert met een etnische zuivering.

Later zijn we nog naar het nabij gelegen dorp Burned Forest gegaan. In het rommelige ontheemdenkamp rond de kerk van Burned Forest kreeg ik van Kikuyu de namen op van naburige dorpen van waaruit ze moesten vluchten. Maar de Kalenjin-bevolking waarschuwde dat we niet verder moesten rijden. „Direct achter die heuvels daar wordt gevochten! Ook jij als mzungu (blanke) zou kunnen worden aangevallen.”

In het dorp Timburoa liep langs de weg een groep mannen met hakmessen, maar niemand die hen controleerde. Overal uitgebrande autowrakken en stapels keien die als wegversperring dienst deden. Opnieuw overal plunderingen en platgebrande huizen en marktstalletjes. En opnieuw duizenden ontheemden die gelaten wachtten op transport.

In Eldoret was er gelukkig nog iets van een internationale aanwezigheid. Grote witte jeeps met de wapperende vlaggen van Unicef en de International Organization of Migration (IOM). Ook wemelde het er van journalisten en medewerkers van hulporganisaties. Maar wat zich enkele kilometers buiten de stad tussen Kalenjin en Kikuyu allemaal afspeelt, geschiedt goeddeels in stilte, zonder dat de buitenwereld er vanaf weet.

In de stad Nakuru, hoofdzakelijk bevolkt door Kikuyu, moesten we om onduidelijke redenen overstappen op een andere bus, die erg krakkemikkig bleek. Meteen paniek. De buspassagiers, allemaal Luo en Kalenjin, waren doodsbang dat het vehikel de klim naar het meer dan duizend meter hoger gelegen Nairobi niet zou halen. „Als we vanavond ergens stranden, worden we gelyncht!” Elke keer als onze nieuwe chauffeur heel voorzichtig van versnelling wisselde, luisterden we bang mee naar het gekraak en geratel vanuit de versnellingsbak.

Na aankomst in Nairobi probeer ik mijn ontmoedigende ervaringen in perspectief te plaatsen. Het ging natuurlijk op de eerste plaats om een diepgaand conflict over de verkiezingen. Maar er was ook het ongenoegen bij veel groeperingen over de succesvolle positie van de Kikuyu – uiterst ondernemende en gewiekste mensen die bovendien alle voordelen plukken van hun geografische nabijheid tot de hoofdstad. Er spelen ook diepgaande cultureel-antropologische verschillen. Door Kenia loopt een breuklijn tussen Nilotische volkeren (in casu de Luo, de Kalenjin) en Bantu-volkeren (de Kikuyu en de in dit conflict aan hen gelieerde Kamba). Tijdens de reis zag ik alles vooral in termen van massale etnische zuiveringen.

Maar in Burned Forest vertelden ontheemde Kikuyu mij dat zij nog steeds hopen dat zij naar hun boerderijen kunnen terugkeren. Sterker nog, ze zaten te popelen om hun akkers gereed te maken voor het begin – midden maart – van de nieuwe regentijd. En ook aan Kalenjin-kant waren er allerlei mensen die me verzekerden dat de Kikuyu terug zouden mogen komen op voorwaarde dat er in Nairobi een bevredigend politiek akkoord werd bereikt. In Kisumu hoorde ik van veel Luo precies het zelfde. Eldoret is nog steeds een multi-etnische stad. En rond die afgebrande kerk in Kiambaa hebben de Kalenjin zich de verlaten akkers niet toegeëigend. Er zijn dus nog steeds tekenen dat het huidige proces van gedwongen verhuizingen omkeerbaar is. Het is dus ook nog te vroeg om over etnische zuiveringen te spreken. Alle ogen in Kenia zijn gericht op bemiddelaar Kofi Annan.

Robbert van Lanschot werkt in deeltijd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij schreef bovenstaand stuk op persoonlijke titel. Zijn reis naar Oost-Afrika had een privékarakter.