‘Deze kunstwerken zijn onverkoopbaar’

Gewapende overvallers hebben in Zürich vier belangrijke schilderijen geroofd. Maar hoe raken de rovers de bekende kunstwerken weer kwijt?

Zondagmiddag, om iets voor half vijf, stapten er drie donker geklede mannen uit een witte auto in een buitenwijk van Zürich, vlakbij het meer. Ze liepen één van de mooie negentiende-eeuwse villa’s in de straat binnen – het museum waar de Bührle-collectie is ondergebracht, één van de mooiste en meest waardevolle verzamelingen van impressionistische en postimpressionistische kunst van Europa. Het was vlak voor sluitingstijd.

Wat er vervolgens gebeurde, is volgens kunstkenners een waarschuwing voor andere musea die waardevolle kunstwerken herbergen. Nu de prijzen van beeldende kunst de pan uitrijzen wordt het interessanter voor criminelen om kunstwerken te roven.

Eén van de mannen, die hun gezichten intussen met skimutsen hadden bedenkt, hield met een pistool het aanwezige personeel en vijftien bezoekers op de begane grond onder schot. De andere twee rukten, ook beneden, vier schilderijen van de muur [zie hiernaast]. Totale waarde: ruim 112 miljoen euro. Vier dagen eerder werden er twee Picasso’s ter waarde van ruim 4 miljoen euro gestolen in een cultureel centrum in Pfäffikon, vlakbij Zürich. Ook daar werd een witte auto gesignaleerd.

De schilderijen waren zwaar; ze zaten achter glas. Zodra ze werden bewogen, ging het alarm af. Maar voordat de politie ter plaatse was, hadden de dieven de schilderijen al in de achterbak gelegd en waren ze – met de klep open, beweren ooggetuigen – weggereden. Volgens politiewoordvoerder Mario Cortesi hoort de diefstal tot „een nieuw soort kunstroof”, namelijk gepleegd met grof geweld. En het is de grootste roof in de geschiedenis van Zwitserland.

In Zwitserland worden er jaarlijks ruim duizend kunstroven gepleegd, vooral bij particulieren. In 1994 werden er zeven Picasso’s gestolen uit een galerie in Zürich, ter waarde van dertig miljoen euro. Dat was toen de grootste roof ooit in Zwitserland. De omvang van de diefstal van zondag doet denken aan de spectaculaire roof van twee Edvard Münch-schilderijen in Oslo – waaronder De Schreeuw – in 2006. Die doeken, verzekerd voor 141 miljoen dollar, werden later teruggevonden.

De vraag die iedereen bezighoudt is: waarom zijn deze schilderijen gestolen? Ze zijn heel bekend, Interpol gaat er hard achteraan – hoe kan iemand ze verhandelen zonder tegen de lamp te lopen? „Deze doeken zijn onverkoopbaar”, bevestigt Thomas Seydoux, impressionismespecialist bij Christie’s. „Ze hebben geen enkele waarde op de kunstmarkt, waar ook ter wereld.” Dat een van de ‘nieuwe rijken’ in China of het Midden-Oosten de gestolen werken als een soort Ali Baba in zijn kelder bewaart, acht hij ook onwaarschijnlijk: zo’n buit kun je aan niemand laten zien.

Het lijkt eerder om een geval van ‘art-napping’ te gaan: een diefstal om het museum of de verzekering geld af te troggelen. Vooral in de Verenigde Staten doen zich de laatste jaren veel gevallen van art-napping voor. Bij het Bührle-museum heeft zich (voorzover bekend) nog niemand gemeld met een eis om losgeld. Maar het type diefstal lijkt te ‘passen’. Art-nappers mogen voor het grote geld gaan, maar van kunsthistorisch inzicht geven ze meestal weinig blijk. Ze kiezen de beste collecties, ze weten in welke museumzaal de toppers hangen. Maar als ze uit drie Cézannes kunnen kiezen, laten ze uit onwetendheid soms juist de duurste hangen.

Volgens museumdirecteur Lukas Gloor horen de gestolen werken tot de meest waardevolle van het museum. Maar de dieven, zegt hij, hadden kennelijk zo’n haast om weg te komen dat ze werken die nóg kostbaarder zijn, lieten hangen – zoals Renoirs Petite Irène en een dansschilderij van Degas. De mannen, van wie er één Duits sprak met een Slavisch accent, bleven op de begane grond. Het leek wel alsof ze de eerste schilderijen pakten die ze tegenkwamen, vertelde Goor. „Meer konden ze niet tillen.” De hele operatie duurde drie minuten.

Ook andere insiders uit de internationale kunstscene lijken er rekening mee te houden dat de dieven of hun opdrachtgevers de schilderijen willen ruilen voor geld, politieke gunsten of om iemand vrij te krijgen uit het gevang. Volgens de politie was de beveiliging van het museum in orde. Maar de diefstal voedt de steeds sterkere roep om extra maatregelen. Zo fouilleert men tegenwoordig bezoekers bij het Musée D’Orsay in Parijs. Maar volgens David Vuillaume van de Association des Musées Suisses is een museum een openbare plek, en geen brandkast. „Er moet een balans zijn tussen veiligheid en vrije toegang.”

Het museum looft ongeveer 60.000 euro uit voor een tip die kan leiden tot de terugkeer van de schilderijen.