De oude NAVO bestaat niet meer

De NAVO zou helpen bij de wederopbouw van Afghanistan, niet om daar te vechten. En dus loopt de roep vanuit de VS om gevechtstroepen spaak, schrijft William Pfaff.

Het zijn moeilijke dagen voor de NAVO, om redenen die maar weinigen bereid zijn toe te geven. Het probleem is het vinden van gevechtstroepen voor Afghanistan. Dit wordt door Washington gezien als een gebrek aan politieke moed ten gevolge van de misleide publieke opinie in Europa, die misschien nog te corrigeren is als er voldoende druk wordt uitgeoefend. Maar daar ligt het helemaal niet aan.

Washington wil meer Europese NAVO-troepen in een actieve gevechtsrol. De Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates, die eerst al ondiplomatiek had afgegeven op de bekwaamheid van de NAVO-troepen die al in Zuid-Afghanistan gelegerd zijn, heeft tegen de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten gezegd dat hij vreest dat de NAVO „zich ontwikkelt tot een bondgenootschap op twee niveaus, waarin sommige bondgenoten bereid zijn om te vechten en te sneuvelen ter bescherming van de veiligheid van mensen, en andere dat niet zijn”.

Volgens Gates zijn vooral de Duitsers daartoe niet bereid. Die voeren wel het opleidings- en opbouwwerk uit in Noord-Afghanistan, maar hun regering heeft geweigerd hen in het zuiden in te zetten bij gevechten met de Talibaan.

Volgens de critici in Washington zien de Duitsers en bepaalde andere Europeanen zichzelf in Afghanistan meer als een „bewapend vredeskorps dan als een coalitie die een echte oorlog voert”.

Zo is het ook. De NAVO is door Washington ingeschakeld om te helpen bij de wederopbouw van Afghanistan, niet om daar een tweede oorlog te gaan voeren om te voorkomen dat de Talibaantroepen van etnische Pathanen hun eigen land heroveren.

De Duitse publieke opinie is tegen de oorlog, en zowel Duitse als Britse officieren hebben kritiek geleverd op de methoden en de doelstelling van de Amerikaanse politiek. Volgens velen moet er een politieke oplossing komen die tegemoetkomt aan de legitieme belangen van de Pathanen, de grootste etnische groep in heel Afghanistan en ook in dit gebied (alles bij elkaar zo’n 40 miljoen).

Enle NAVO-regeringen steunen de Amerikaanse politiek, maar andere vinden dat de VS de Afghanen net zo’n zwakke, door het buitenland gesteunde regering opdringen als ze ten koste van een hoge menselijke en materiële prijs in Irak hebben gedaan.

We staan voor een fundamenteel probleem. Daar zullen de Europeanen mee te maken krijgen als ze proberen te komen tot een ‘gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid’ voor een Europese Unie die zich uitstrekt van Portugal en Zweden tot Roemenië en Bulgarije. Behalve over een elementaire en gedeelde wens om een gemeenschappelijke veiligheid en onafhankelijkheid te bewaren, is men het niet eens over een buitenlandse politiek. Dat is geen verrassing.

Toen de NAVO ontstond gingen belang en beleid samen op: West-Europa ervan te verzekeren dat de geallieerden, waaronder de Verenigde Staten en Canada, gezamenlijk de verdediging op zich zouden nemen tegen de uitbreiding van de militaire sovjetmacht in Europa, en de West-Europese regeringen te steunen tegen de reële dreiging van revolutionaire opstanden of staatsgrepen door bepaalde nationale communistische partijen.

Vandaar is het een lange weg naar ingrijpen in Centraal-Azië, in een land waar ze haast niets van weten, ter ondersteuning van iets wat misschien wel een mislukte poging zal blijken om in Afghanistan een Amerikaans marionettenbewind in stand te houden, ondanks krachtig binnenlands verzet.

Ze zien zichzelf of de NAVO niet door Afghanistan bedreigd, terwijl de Amerikanen in een mondiale terreurdreiging geloven.

De Europeanen vinden het niet overtuigend om de kwestie-Afghanistan te benoemen als een tegenstelling tussen terrorisme en internationale vrede en democratie – als een ideologische wereldoorlog.

Zelfs de nieuwste NAVO-leden, die vooral goede maatjes met de VS willen blijven, hechten alleen belang aan hun eigen veiligheid tegenover Rusland, en tegenover de afscheidings- of herenigingsgeschillen die nog altijd spelen in hun eigen regio’s – niet in Afghanistan.

Meteen na de Koude Oorlog verloren de Verenigde Staten hun belangstelling voor de NAVO. De andere leden wilden het bondgenootschap voortzetten omdat ze geografisch dichtbij de beroering in Rusland van na de sovjettijd lagen. Het aanbod van samenwerking en uiteindelijk lidmaatschap van de NAVO – een impliciete westerse veiligheidsgarantie – werd destijds gezien als een krachtige aansporing voor de landen van het voormalige Warschaupact om hun politieke instellingen en legers te hervormen.

Toen kwam de Balkancrisis waarbij de Verenigde Staten aanvankelijk liever niet betrokken wilden worden. Later, toen ze ten slotte tussenbeide kwamen, vonden ze de NAVO een nuttig instrument en een bron van steun, maar na afloop was de reactie van het Amerikaanse leger: „Dit nooit meer”. De samenwerking en coördinatie binnen het bondgenootschap werd beoordeeld als meer last dan gemak.

Toen de NAVO-bondgenoten na 11 september 2001 Washington spontaan hun steun aanboden, zeiden de Verenigde Staten ‘nee’; ze hadden hun eigen plannen en wilden geen bemoeienis van het bondgenootschap. Zo bleef de situatie totdat Washington versterkingen nodig had voor de stabilisatie van Afghanistan. En natuurlijk zijn nu weer dezelfde oude problemen gerezen.

Er is maar één model voor een doelmatig militaire alliantie, en wel dat de groep krachtige gemeenschappelijke opvattingen en grote gemeenschappelijke belangen heeft, en bereid is elkaar te raadplegen en tegemoet te komen. Als die gemeenschappelijke opvatting ontbreekt, is de alliantie een schijnvertoning. Washington doet in de benadering van Afghanistan graag of de oude NAVO nog bestaat.

Maar die bestaat niet meer. In de zogeheten oorlog tegen de terreur ontbreekt het politieke wezen van een bondgenootschap.

William Pfaff is columnist.©Tribune Media Services