Zeggen dat Europa belangrijk is, werkt niet

Bij discussies over de EU mag men nooit meer de fout maken om krantjes met verdragsteksten rond te sturen. Het moet over het ‘wat’ gaan, niet over het ‘hoe’, stellen Marcel Canoy en Judith Merkies .

Bijna drie jaar na het ‘Nee tegen de Grondwet’ blijft in Nederland een ongemakkelijk gevoel bestaan over Europa. We hebben Europa wel nodig, realiseert zich een meerderheid, maar kan het soms niet wat duidelijker, wat minder en wat dichterbij?

Hoe is het te verklaren dat een kleine open economie, tot de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh internationaal befaamd om haar tolerantie, zo’n gereserveerde blik op de buitenwereld heeft?

De reden is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Terwijl de aanwezigheid van Europa en de complexiteit van het beleid toenemen, neemt de betrokkenheid van de burgers bij de politiek af.

De trend van toenemende desinteresse in de politiek is al een tijdje gaande. De politiek die uitstijgt boven de problematiek direct voor de deur is het eerste slachtoffer. Is de parkeervergunning in de straat misschien nog interessant, de verkiezing van de burgemeester al minder, laat staan vragen als ‘hoort Servië op lange termijn bij de EU?’, ‘wat te doen met asielzoekers uit Afrika?’ of ‘welke voorwaarden op het gebied van mensenrechten kunnen we stellen aan de handel met China?’

Meer en meer staat Europa in onze achtertuin, nee dichterbij nog: is Europa een deel van ons dagelijks leven. Vrij reizen met Schengen, goedkoop mobiel telefoneren en vliegen, herniaoperaties in Duitsland, voedselveiligheid – het zijn allemaal tastbare resultaten voor burgers. Maar deze verworvenheden worden vanzelfsprekend gevonden en niet per se met Europa geassocieerd. Liever associeert men Europa met abstracties als geldverslindende bureaucratieën of superstaten – ook al zijn daarbij nauwelijks concrete voorbeelden te bedenken, in weerwil van wat sommige politieke partijen beweren.

Dit lijkt de aanname te rechtvaardigen dat de burgers onwetend zijn en willen blijven. Maar het is een enorme valkuil gebleken om vanaf de kansel te prediken dat Europa ‘best belangrijk’ is. Immers, als we willen bereiken dat participatie door de burger de democratische legitimering dichterbij brengt, schiet een paternalistische wij-zullen-u-wel-even-vertellen-hoe-het-zithouding haar doel voorbij. Diezelfde burger is namelijk het uiteindelijke eindpunt van het beleid. Hij maakt gebruik van de ‘producten’ van Europa. Om de effectiviteit en gewenstheid van het beleid te toetsen is een wisselwerking tussen de EU en de burger essentieel.

Toch voelt diezelfde burger zich steeds meer verloren. Als logisch gevolg maakt hij een terugtrekkende beweging naar het direct nabije. Partijen die pleiten voor nationalistische belangen en met stellige aforismen eenvoudige oplossingen beloven voor complexe problemen, winnen overal in Europa terrein. Ook de media richten zich steeds meer op nationaal en regionaal nieuws. Waar vroeger het NOS-journaal het hoogtepunt van de televisieavond was, is dat tegenwoordig Boer zoekt vrouw.

De terugtrekkende beweging is weliswaar begrijpelijk maar lost niets op. In de complexiteit van de EU kan de wal het schip niet keren. De burger zal dus op de een of andere manier moeten worden bereikt. De EU kan het zich niet permitteren beleid uit te voeren dat niet door burgers wordt gedragen. Anders dreigt wat ooit eens begon als een idealistische onderneming voor verbetering van de leefwereld van de Europese burger, te verworden tot een abstracte constructie waarvan slechts een kleine elite het jargon kan duiden.

Het blijkt niet eenvoudig om het gat met de burgers te verkleinen. Europa lijkt elke keer te worden aangepakt als een varkentje dat even moet worden gewassen: openbare aanbesteding van een nieuw communicatieactieplan, lauwe slogans als ‘Europa best belangrijk’, instructies voor politici dat ze vooral ook ‘iets’ over Europa moeten zeggen als er een actualiteit is.

Uit alle communicatieacties rondom Europa komt het beeld naar voren dat het allemaal zo moeilijk is. Zo wordt het ‘hoe communiceren we over Europa’ kennelijk een belangrijker vraag dan ‘wat communiceren we over Europa’.

Laten we het accepteren: de Europese Unie is een blijvertje, net als de politiek in de straat, de stad en in het land. Problematiseer de discussie rondom Europa niet. Europa is wellicht complex, maar de burger moet niet onderschat worden, hij kan best moeilijke thema’s aan zoals bij het klimaatbeleid blijkt.

Maak van de communicatie over Europa een continu proces, dat ook buiten Europese verkiezingen, landverschuivende verdragen en goedkoop vliegen en bellen op de voorgrond blijft. Nationale keuzes hebben gevolgen voor Europees beleid en omgekeerd. De tijd is gekomen om de samenhang tussen nationaal en Europees beleid centraal te stellen in politieke discussies. De vraag ‘nationaal of Europees’ wordt daardoor vanzelf minder relevant. Bij de communicatie over Europa mogen fouten gemaakt worden, maar blijf in gesprek.

Door de krampachtigheid rondom het ‘hoe’ los te laten komt het ‘wat’ vanzelf. Een ongekunsteld ‘hoe’ impliceert een offensieve, participerende maar propagandavrije benadering. Offensief, omdat discussies in Nederland over Europa altijd achteraf gevoerd worden en achteraf is te laat. Participerend, omdat alleen door de kiezers actief bij het proces te betrekken bruggen geslagen kunnen worden. Propagandavrij, omdat burgers niet geïnspireerd worden door verhalen hoe goed de dingen toch zijn, op een moment dat ze dat duidelijk niet zo zien.

Discussiëren over Europa is niet het rondsturen van krantjes met letterlijke verdragteksten: het is niet offensief, het is niet participerend en de tekst wordt gepercipieerd als propaganda.

Discussiëren over Europa is wel de ‘terug naar school’-actie van de EU en de Nederlandse regering, waarbij EU-ambtenaren binnenkort, op 14 april, op hun oude school met scholieren over Europa van gedachten wisselen. Offensief, omdat het niet reageert op een of andere actualiteit en vooruitkijkt; participerend, omdat scholieren actief worden betrokken, en propagandavrij, omdat EU-ambtenaren (als ze het goed doen tenminste) niet alleen iets over Europa achterlaten maar ook iets mee naar Brussel nemen.

Marcel Canoy en Judith Merkies werken bij de Europese Commissie.