‘Turangalîla’ is bij Yakov Kreizberg in goede handen

Klassiek Ned. Philh. Orkest o.l.v. Yakov Kreizberg. Gehoord: 9/2 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 11/2. Info: www.orkest.nl.

Het is niet verwonderlijk dat in het Messiaen-jaar 2008 veel orkesten de Turangalîla-symfonie (1948) uitvoeren. Het is een van Messiaens kleurrijkste en spectaculairste composities, met een enorme en deels exotische bezetting: onder meer acht tot elf slagwerkers en een ‘ondes martenot’: een elektronisch muziekinstrument dat nog het meest klinkt als een opgevoerde zingende zaag.

Daarnaast is het een aansprekende lofzang op de liefde, vol momenten van extase en ontroering. Het werk laat zich daardoor uitstekend koppelen aan Wagners prelude voor Tristan und Isolde, die Messiaen ook hoorbaar inspireerde. In januari was de combinatie van Tristan en Turangalîla al te horen bij een gretig spelend Nationaal Jeugdorkest, nu brengt het Nederlands Philharmonisch Orkest hetzelfde programma.

Yakov Kreizberg, die de Tristan-prelude met het NedPho al eens op cd zette, dirigeert Tristan buitengewoon krachtig en helder. Hij brengt strakke lijnen aan met brede, gedecideerde gebaren, maar het resultaat is wat keurig. Door het gebrek aan subtiliteiten blijft het geheel wat aan de oppervlakte.

Turangalîla is met al zijn geweld en complexiteit meer gebaat bij zo’n gecontroleerde benadering. Het werk klinkt ongekend woest en onstuimig, met relatief hoge tempi, die Kreizberg onverbiddelijk handhaaft. Soms brengt hij in de gistende massa’s duidelijke prioriteiten aan; op andere momenten mag alles juist in wonderlijke coëxistentie door elkaar krioelen.

De stijl van pianist Steven Osborne sluit hier perfect bij aan: vingervlug en flamboyant laat hij in zijn virtuoze cadensen de noten als harde parels uit de piano rollen. Maar ook in de verstilling vinden hij en Kreizberg elkaar. Het eindeloos loom rondzwevende zesde deel, Jardin du sommeil d’amour, vormt in dat opzicht een hoogtepunt.

Het orkest maakt grote indruk in de energieke en ritmisch vaak wiskundig ingewikkelde passages. Slechts een enkel rommelig ritenuto verraadt soms dat niet iedereen alles kan bijhouden. Voor Cynthia Millar achter de ondes martenot is, ondanks het wat te hoge volume van haar instrument, niet meer dan een prominente bijrol weggelegd.

Tussen al het geweld is er bij herhaling een opmerkelijk detail in de twee klarinetten. Het standvastig terugkerende ‘bloementhema’ spelen zij precies zoals Messiaen het in de partituur voorschreef: ‘de kleine, langzame nootjes liefkozend’.