Naar Sloten

Dit jaar heb ik me voorgenomen in Amsterdam zoveel mogelijk plekken te bezoeken waar ik nog niet ben geweest in de tien jaar dat ik hier woon. Een soort sentimental journey, maar dan op het heden gericht.

Afgelopen zaterdag leek een ideale dag om dit voornemen ten uitvoer te brengen: een mild zonnetje aan de hemel en een matig briesje in de rug. Het eerste doel was het lang geleden door Amsterdam geannexeerde dorp Sloten en, vooral, de vermaarde Molen van Sloten. Mijn vrouw was bereid me op deze tocht te vergezellen, mits ik niet steeds afweek van de gebaande paden. Was er een betere definitie van het huwelijk denkbaar?

Zij weet dat ik slechts in beperkte mate van wandelen houd. De eerste kilometers verlopen doorgaans vlekkeloos, daarna begint de eentonigheid van deze sportieve onderneming mij parten te spelen. Ik luister altijd met huivering naar verhalen van echtparen-op-leeftijd die in hun vrije tijd niets liever doen dan duizenden kilometers op Noordzeestranden, Pieterpaden en pelgrimroutes naar Santiago de Compostella af te leggen.

Steeds weer die ene voet voor de andere, en de andere voor die ene, het is een tredmolen voor mijn gemoed.

Maar het voordeel van Sloten was dat het niet ver weg lag, vooral wanneer je bij de Sloterplas begon. Dat deden we dus. Wist u dat je daar zo rustig kunt wandelen, en zeker op een mooie zaterdagmiddag? We kwamen niemand tegen. Ieder ander had wel iets beters te doen. De Sloterplas lag er zonder één rimpeltje bij, er was werkelijk niets te zien of te beleven, geen bootje, geen mens, alleen wat eenden en meeuwen, maar die heb je bij ons ook voor de deur.

Toen schoot me te binnen dat Mohammed B. hier met zijn makkers altijd ging wandelen. Woonde hij niet vlakbij in deze buurt? Ik herinnerde me flauw de naam van zijn straat. „Laten we even gaan kijken”, stelde ik voor. Wat had ik verwacht? Dat er met pijltjes een Mohammed B.-route was gemarkeerd? Nee. Maar je weet nooit.

We liepen door keurige, vriendelijke straten en mijn intuïtie vertelde me al vlug dat je niet Theo van Gogh, of wie dan ook, zou willen vermoorden als je in zo’n straat woonde. „Moeten we het even vragen?” zei ik. „Wie doet dat nou”, zei mijn vrouw, „we moeten dóór.”

Dat is het belastende van wandelen, je moet altijd door. Een halfuurtje later kwamen we door ‘de toneelspelersbuurt’ van Slotervaart. „Hier woont Wim Kok”, zei ik, en ik keek weer naar de straatnamen. „Als je het maar uit je hoofd laat”, zei mijn vrouw. „Kijk”, wees ik al over het water, „daar zit Rita achter haar huis.” „Ik schaam me voor je”, zei mijn vrouw en ze duwde me in de richting van Sloten.

Zouden daar beroemdere mensen wonen? Ik kreeg niet de indruk. Er stonden een paar leuke, oude huisjes en kerken, er was een leuke, oude benzinepomp en een leuk, oud politiebureautje, en verder had je nog een iets minder leuk, oud weeshuis. Ik heb het allemaal rustig bekeken, zó rustig dat mijn vrouw er onrustig van werd. „De Molen van Sloten”, zuchtte ze steeds.

Het was inmiddels tegen vijven. „De rondleider is naar huis”, zei een oude mevrouw achter een tafel, „komt u morgen maar weer terug.”

Opgelucht heb ik in café Kerkzicht een borrel aangeboden. Op de goede afloop.