Klassiek ballet, maar dan gebotoxt

Illustrator Sieb Posthuma ontwierp het decor voor Coppélia van Het Nationaal Ballet.

„Die dikke tekenlijnen moeten zichtbaar blijven.”

Allereerst een geruststellende mededeling voor degenen die een hedendaagse bewerking van een ballet uit 1870 met enig wantrouwen tegemoetzien: de nieuwe Coppélia van Het Nationale Ballet heeft gewoon een happy end, de hoofdpersonen ‘krijgen’ elkaar en tijdens het huwelijksfeest wordt iedereen verliefd op iedereen. Choreograaf en artistiek leider Ted Brandsen (Kortenhoef, 1959): „De boodschap is dat het niet gaat om de schone schijn, om uiterlijk. De liefde moet overwinnen.” Weliswaar hebben hij en dramaturge Janine Brogt geprobeerd ook enigszins recht te doen aan het oorspronkelijke, nogal sinistere verhaal Der Sandmann uit 1815 van E.T.A. Hoffmann, maar: „Coppélia is een feelgood-ballet, geen filosofische verhandeling.”

Een waarschuwing is overigens ook op zijn plaats, vindt Sieb Posthuma (Rotterdam, 1960). „De komende drie jaar zit iedereen met die mazurka van Delibes in zijn hoofd”, voorspelt de illustrator, cartoonist, schrijver en tekenaar, die verantwoordelijk is voor het ontwerp van decors, rekwisieten en kostuums. Drie jaar geleden kreeg Posthuma zijn eerste opdracht als theatervormgever. Voor het Diaghilev Festival in Groningen maakte hij een doek van duizend vierkante meter; een enorme tekening van schouwburgloges vol feestelijk theaterpubliek. Brandsen zag het en wist dat hij de ontwerper had gevonden voor zijn eerste avondvullende productie in Nederland.

Een eigen Coppélia is overigens geen lang gekoesterde wens van de choreograaf. „Ik was nooit zo weg van het ballet”, zegt hij, na een lichte aarzeling. „De traditionele versies die ik ken, zijn vaak een beetje tuttig, met van die 19de-eeuwse, Midden-Europese dorpstaferelen, belegen humor en veel borduursels. Terwijl de muziek van Delibes juist levendig en sprankelend is.”

Het is ook dankzij de partituur van Léo Delibes – met die beroemde, inderdaad ontzettend aanstekelijke mazurka – dat het ballet al die jaren heeft overleefd. Keer op keer vielen choreografen voor de muziek van de Franse componist.

Brandsen en Posthuma hebben een eigen invulling gegeven aan het motief van de ideale vrouw als willoze, mooie pop. Swanilda is hier Zwaan, een pittige meid die een juicebar drijft. In de naastgelegen sportschool houdt haar verloofde Frans zich onledig met het heffen van gewichten. De sinistere poppenmaker dr. Coppelius is in de Nederlandse productie een gladde geneesheer-directeur van een schoonheidskliniek waar de beau monde zich nog mooier kan laten maken. Zo krijgt het oude ballet zo een total make-over die is geïnspireerd op de hedendaagse trend van nose jobs, botox en borstvergrotingen.

Dr. Coppélius en Coppélia als plastisch chirurg Robert Schoemacher en zijn mascotte (‘lipjes getuit, borstjes vooruit’) Marijke Helwegen? Posthuma: „Het moet niet te actueel zijn. Daarom ook heb ik bewust afstand gehouden van de verleidingen die de theatertechniek tegenwoordig biedt en gekozen voor een ‘ouderwets-futuristische’ vormgeving.”

De ‘Hartendief’ illustreert wat hij bedoelt. Het apparaat, waarmee dr. Coppelius de levenskracht van warmbloedige stervelingen wil overpompen naar zijn artificiële schepsels, is een bijna manshoog mensenhart dat via een wirwar van buizen en draden aan weerszijden is verbonden met twee kappen, die op de hoofden van zijn proefpersonen worden geplaatst. De functie van het gevaarte is in één oogopslag duidelijk.

Eigenlijk geldt dat voor al zijn werk, dat volgens de tekenaar veel archetypische elementen bevat: „Het toneel moet eruitzien als een bewegende tekening met 3D-elementen, een pop-up prentenboek. Voor de decorschilders is dat heel vreemd. Die willen alles zo mooi, echt en uitgewerkt mogelijk maken, terwijl ik juist het tekenhandschrift wil behouden. Al die dikke, zwarte tekenlijnen moeten zichtbaar blijven.”

Brandsen werkt in deze verjongde Coppélia opmerkelijk genoeg in een uitgesproken traditioneel idioom: klassieke passen, groepsdansen en variaties en een grote, lyrische pas de deux. „Ja, in een witte tutu!” Maar het moet anno 2008 wel in een ander jasje. Een eigentijdse vormgeving zoals die van Posthuma is wat hem betreft de manier om het grote publiek te overtuigen van de houdbaarheid van klassieke dans.

In zijn choreografie probeert hij met onder andere een break-, jazz- en shownummer te laten zien hoe de ballettraditie zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld: „De klassieke dans is rijk en rekbaar; je kunt er wel degelijk veel kanten mee op. Het is een taal die ik graag spreek.”

Ballet

Het Nationale Ballet: Coppelia. Première 14 februari. T/m 4 maart. Muziektheater, Amsterdam. Info www.het-ballet.nl.