De boerka-smoes

De beslissing van het kabinet om geen algemeen boerkaverbod in te voeren is verstandig. En de maatregelen die worden voorgesteld om in het onderwijs en de ambtelijke dienst wel zo’n verbod in te stellen, zijn overbodig. Boerka’s komen in Nederland nauwelijks voor en vormen geen probleem dat niet al met eenvoudige middelen is opgelost. Geen school is verplicht een docent met boerka aan te stellen; geen gemeente is verplicht een werkloze in boerka onbeperkt te financieren. De voorgestelde maatregelen komen derhalve neer op schieten met een kanon op een mug.

Boerka’s zijn wel een politiek probleem. En dus is de oplossing ook politiek. Het kabinet heeft negen A4’tjes nodig om uit te leggen welke belangen er allemaal in het geding zijn. Zo leren we dat de regering „open communicatie” van groot belang vindt en kleding die dat verhindert „onwenselijk”. Open communicatie is volgens het kabinet zelfs een essentiële waarde van de rechtsstaat. Het rekent zich tot taak „waar nodig” dergelijke kleding actief tegen te gaan, ook om de belangen van de vrouwenemancipatie te dienen.

Het gaat volgens het kabinet om een groep van naar schatting honderd vrouwen. Klein genoeg om er persoonlijk bij op bezoek te gaan, zo lijkt het. Maar nee – de minister van Onderwijs komt met een voorstel dat kledingvoorschriften voor het gehele onderwijs zal bevatten. Wie dus in de collegebanken stelling wil nemen in het islamdebat, schaffe zich snel dit ‘gezichtsspandoek’ aan dat minister Plasterk (PvdA) straks per decreet zal verbieden. Gegarandeerd komt er heibel van, die radicalisering en stigmatisering veroorzaakt. De open communicatie waar het kabinet zo voor is, is daar niet mee gediend.

De Staat dient zich behalve in specifieke situaties waarin veiligheid en openbare orde in het geding zijn, niet te bemoeien met de kledingkeuze van de burger. Die valt onder de vrijheid om je te uiten en onder de vrijheid van godsdienst, die zijn beschermd door het Verdrag voor de rechten van de mens. Het beperken moet aan zware vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit voldoen. Dat de nieuwe normen van ‘open communicatie’ en gelijke kansen voor vrouwen juridisch voldoende zwaar wegen, ligt niet voor de hand. Kleding is een vorm van uitingsvrijheid waarbinnen schokken, kwetsen of verwarring stichten is toegestaan.

Dat het kabinet zich specifiek richt op de islamitische gezichtssluier, kan het verwijt van discriminatie oproepen. Er zijn immers wel meer uitdossingen die de open communicatie niet bevorderen, dan wel een gevoel van ‘onbehagen’ oproepen bij het publiek. Maar zo wordt de discussie door het kabinet niet gevoerd, om een evidente reden: het gaat niet over bedekte gezichten op straat, maar over de positie die het orthodox islamitische geloof in Nederland wordt toegekend. Door er een emancipatiekwestie van te maken, duikt het kabinet onder de tafel. Terwijl de rechtsstaat ruimte biedt aan tal van orthodoxe geloven, met hun toga’s, habijten, jurken, sluiers, hoofddoeken, keppeltjes, boerka’s en baretten.