‘Wij zijn botenbouwers’

Kunsthistoricus Auke van der Woud herschreef de Nederlandse architectuurgeschiedenis. „De veranderingen in de negentiende eeuw waren fundamenteler dan die van nu.”

‘De mens bepaalt de fysieke wereld. Maar na verloop van tijd gaat de fysieke wereld op haar beurt de mens veranderen’ Foto Sake Elzinga Nederland - Haren - ( Groningen ) - 05-02-2008 Historicus Auke van der Woud. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Auke van der Woud zit drie hoog achter. De hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis van de Rijksuniversiteit Groningen heeft zijn werkkamer op de zolder van een vroeger bankgebouw uit het voorlaatste fin de siècle in de Groningse binnenstad. In de vensterbank staan uitsluitend cactussen en vetplanten. „Het zijn makkelijke planten”, zegt hij. „’s Zomers kan het hier onder het dak erg warm worden. Maar daar kunnen ze tegen. Je kunt ook gemakkelijk een weekje weg.”

Vier maanden geleden werd Van der Wouds laatste boek Een Nieuwe Wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland bekroond met de Historisch Nieuwsblad/Volkskrantprijs voor het beste geschiedenisboek van 2007. In dit boek laat hij zien hoe Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw in hoog tempo werd gemoderniseerd en nieuwe havens, kanalen, spoorwegen, posterijen, telegraafverbindingen en wegen kreeg en hoe dit de samenleving grondig veranderde. Het boek over de halve eeuw waarin Nederland op de schop ging is een contrast met Het Lege Land, het proefschrift van Van der Woud uit 1987. Hierin is Nederland, buiten de steden, vooral een woest en ledig land. Tussen beide boeken verscheen in 1997 Waarheid en Karakter, Van der Wouds herschrijving van de negentiende-eeuwse Nederlandse architectuurgeschiedenis die de koningen van de 19de-eeuwse architectuur, P.J.H. Cuypers en H.P. Berlage, van hun tronen stootte.

Bijna zijn hele leven woont Van der Woud in het hoge noorden. Ook toen hij hoogleraar architectuurgeschiedenis was in Amsterdam, bleef hij in Haren wonen. „Ik heb jarenlang op de Veluwe gewoond, toen ik conservator bij Museum Kröller-Müller was”, vertelt hij. „Maar in mijn jaren bij de Vrije Universiteit reisde ik op en neer. Werken in Amsterdam en wonen in Haren vond ik the best of both worlds. Als je Nederland vergelijkt met Londen waar ook zo’n 16 miljoen mensen wonen, is Groningen tenslotte een soort buitenwijk van de Randstad. Maar in de loop van de tijd werd de trein zelfs ’s morgens heel vroeg steeds voller, en werd mobiliteit onaangenamer. Dat heeft te maken met het feit dat Nederland in hoog tempo dichtslibt en dat steeds minder mensen werken waar ze wonen. Nederland smijt met de toch al extreem weinige ruimte die we hebben. Het ruimtebeslag van de Vinexwijken is enorm. We houden in Nederland niet van hoogbouw en appartementen, en dus bestaan de immer uitdijende suburbia grotendeels uit rijtjeshuizen met tuinen.”

Is dat erg? Nederland is nog leeg genoeg, hoor je vaak zeggen, het is maar voor dertien procent bebouwd.

„Als veel mensen pijn in hun buik krijgen van het dichtslibbende Nederland, moet de overheid daar gaan sturen. Dat is democratisch. Mij stoort vooral dat er zo slordig en ondoordacht wordt omgegaan met onze eeuwenoude cultuurlandschappen. Als Kamerleden en politici daarmee worden geconfronteerd, zeggen ze al gauw: ja, maar Nederland moet geen museum worden. Dat is een mantra die elke discussie over het behoud van het Nederlandse landschap in de kiem smoort. Ik begrijp ook wel dat gemeenten werkgelegenheid voorop stellen en dus allemaal bedrijventerreinen willen – het is zelfs hun taak om dat willen. Maar daar staan sinds de decentralisering van de ruimtelijke ordening geen hogere overheden meer tegenover. Rijk en provincie zijn niet goed meer in staat om vorm te geven aan het algemeen belang.”

Elke tien jaar komt u met een boek over Nederland in de negentiende eeuw. Vanwaar komt uw fascinatie voor deze eeuw?

„Als jongen vond ik de negentiende eeuw al interessant. Mijn fascinatie voor de negentiende eeuw zit in mijn genen. De een is goed in voetballen, een ander legt zich toe op Italiaans koken en ik had als kind al belangstelling voor oude huizen, en oude mensen. Zo simpel ligt het.”

Mede dankzij uw boeken is er een zekere herwaardering van de negentiende eeuw op gang gekomen. Maar tot voor kort stond de negentiende eeuw in Nederland bekend als een lelijke eeuw die weinig van waarde had voortgebracht. Terwijl bijvoorbeeld Fransen en Engelsen juist trots zijn op hun negentiende eeuw. Hoe komt dat?

„Nederland is uniek in zijn verguizing van de negentiende eeuw. En dat komt door Berlage. In geen ander westers land is de opkomst van de moderne architectuur zo zeer verbonden met één persoon. Zonder Berlage zou er in Nederland geen moderne architectuur hebben bestaan, is de mythe. Dit verhaal is door Berlage zelf in het leven geroepen en werd steeds herhaald in de geschiedschrijving van de architectuur van de twintigste eeuw. Vreemd genoeg werd die tot de jaren zeventig geschreven door architecten die nooit onderzoek deden en steeds de mythe van Berlage opdisten. Bij een heiland als Berlage hoorde natuurlijk een duistere tijd waarvan we zijn verlost, en dat was de negentiende eeuw. Die werd bestempeld tot een nationale ramp die alleen maar rommel had voortgebracht.

„De verguizing van de negentiende eeuw is er ook de oorzaak van dat er in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw zo ongelooflijk veel is gesloopt in de Nederlandse binnensteden. Elke Nederlandse stad maakte na de Tweede Wereldoorlog grote plannen om die negentiende-eeuwse rommel eens goed op te ruimen. Pas omstreeks 1970 ontstond daar massaal protest tegen en is de uitvoering van veel van die plannen gestopt. Toen begon ook, heel langzaam, de herwaardering van de negentiende eeuw.”

U begint ‘Een Nieuwe Wereld’ met een citaat van Arthur Schopenhauer. Waarom begint u een boek over zo’n optimistisch tijdperk als de tweede helft van de negentiende eeuw met zo’n aartspessimist?

„Ik heb Schopenhauer aangehaald omdat hij liet zien dat de wereld is zoals mensen zich die voorstellen en dat ze hun eigen wereld scheppen. Meestal wordt in geschiedschrijving gedaan alsof de techniek zich in een puur technisch domein ontwikkelde, alsof het vanzelf ging: toen en toen werd de stoommachine uitgevonden en vervolgens ontstond de industriële revolutie. Maar een ontwikkeling begint niet met dingen, maar met ideeën van mensen die zich iets voorstellen en dingen gaan maken. En dan gaan de dingen zich ontwikkelen,volgens hun eigen logica, en heeft de mens maar te gehoorzamen.

„De mens bepaalt de fysieke wereld. Maar na verloop van tijd gaat de fysieke wereld op haar beurt de mens veranderen. Zo bracht de negentiende eeuw de massamens en het consumentisme voort. En op zeker moment is het alsof de mens een machine in het leven heeft geroepen die niet te stoppen is en zijn leven bepaalt. Dat zie je nu ook met de verrommeling van Nederland. Dit is een monster dat onstuitbaar lijkt. Of neem computers. We kunnen ons een leven zonder computers niet voorstellen. En ons huidige leven ís ook niet meer mogelijk zonder computers.”

De overeenkomsten tussen onze tijd en de tweede helft van de negentiende eeuw zijn frappant. U schrijft bijvoorbeeld dat mensen toen nerveus werden van de postbode die vijf keer per dag post bezorgde. Nu worden ze dat van te veel e-mails.

„Het zou interessant zijn om eens uit te zoeken wanneer het woord stress voor het eerst wordt gebruikt in het twintigste-eeuwse Nederland. Het woord zenuwachtig kom je in ieder geval voor 1890 nooit tegen. Daarna duikt het plotseling op en lees je in kranten en tijdschriften dat de moderne mens het zo druk heeft gekregen dat hij overbelast raakt en ziek wordt. Overigens was dit een klacht die alleen voorkwam bij de middenklasse en de elite. Van arbeiders hoorde je die nooit. Die werkten toen twaalf of meer uur per dag, maar zij konden zich niet permitteren om over werkdruk te klagen. Maar ons organisme groeit met de drukte mee. Je hoort jongeren niet klagen over sms’jes, e-mails en al die andere communicatiemogelijkheden waar ouderen stress van krijgen. Het aanpassingsvermogen van de mens blijkt groot.”

Vaak wordt beweerd dat we nu in een tijd leven waarin de veranderingen groter zijn en sneller gaan dan ooit tevoren. Maar ‘Een Nieuwe Wereld’ wekt de indruk dat het leven van de meeste Nederlanders in de negentiende eeuw ingrijpender veranderde dan nu.

„Ik moet toegeven dat ik in ‘Een Nieuwe Wereld’ vooral op zoek ben gegaan naar de parallellen tussen onze tijd en de tweede helft van de negentiende eeuw. Die vond ik interessanter dan de contrasten. Toch waren de veranderingen in de negentiende eeuw fundamenteler dan die van nu. Nederland ging toen van ‘niets’ naar ‘veel’, zou je kunnen zeggen, en nu gaan we van ‘meer’ naar ‘nog meer’. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het voor een bewoner van de Achterhoek mogelijk om met de trein op één dag en betrekkelijk goedkoop op en neer naar, zeg, Zwolle te reizen. Dat was een ongelooflijke verandering in het leven van de Achterhoeker, die alleen maar te vergelijken is met wat Chinezen op het platteland nu meemaken.”

Sommige cultuurgeleerden beweren dat het verschil tussen onze tijd en alle vorige tijdperken is dat computers, internet en andere elektronische communicatiemiddelen hebben gezorgd voor een netwerkmaatschappij zonder hiërarchie. Maar in ‘Een nieuwe wereld’ laat u zien dat spoorwegen, kanalen, wegen, posterijen, telegraaf ook altijd netwerken werden die ruimtes en mensen met elkaar verbonden.

„Netwerken zijn kenmerkend voor de negentiende eeuw. Bovenin de korenbeurs hier in Groningen kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw een telegraaf te staan, omdat de boeren wilden weten wat de graanprijzen in de Verenigde Staten en Sint-Petersburg waren. En iemand als Fritz Reuter maakte met behulp van de telegraaf ‘Reuters’, een netwerk dat overal in de wereld agenten had die hun nieuws naar het hoofdkantoor in Londen telegrafeerden, vanwaar het zijn weg vond naar kranten.

„Ook zoiets als globalisering bestond al in de negentiende eeuw. Door de steeds groter wordende oceaanstomers en het graven van het Suezkanaal en het Panamakanaal werd het steeds goedkoper om spullen over de hele wereld te slepen. Toen al was er een echte wereldmarkt.”

Is het enige verschil tussen de negentiende eeuw en het begin van de eenentwintigste eeuw dan dat het vooruitgangsgeloof nu niet meer zo groot is?

„Daar zijn we heel dubbel in. Veel mensen geloven dat de techniek alle problemen wel oplost. Maar er is er ook een groot besef dat de vooruitgang een prijs heeft. Zoals een gebrek aan rust, een belasting van het milieu en een grootschalige vernietiging van het landschap. Dit besef heeft alleen nog niet geleid tot een nieuwe definiëring van het algemeen belang. Als het er op aankomt, kiezen politici toch altijd voor economische groei. Terwijl bijvoorbeeld het CDA toch van oudsher zoiets kent als goed rentmeesterschap. Maar waar blijkt dat dan uit? Niemand durft de discussie hierover te beginnen.”

Sommigen kiezen voor een vlucht naar voren om uit de impasse te komen. Landschapsarchitect Adriaan Geuze houdt bijvoorbeeld regelmatig een pleidooi om weer eens een groot werk te beginnen. Eilanden in de zee bijvoorbeeld.

„Het is zeker goed voor het zelfbewustzijn van een natie om iets groots te verrichten. Maar eilanden in de zee lijken me een onzinnige onderneming als in het hele land landbouwgebieden worden veranderd in natuurgebieden en zelfs onder water worden gezet. Ik zou eerder denken aan een goed openbaarvervoernet in de Randstad als groot project. Maar het is moeilijk om dit tot een goed einde te brengen. Hoe lang duurt het nu al niet om de A4 door te trekken bij Delft? Bij de aanleg van de Spoorwegen in de negentiende eeuw waren niet meer dan een stuk of honderd ambtenaren betrokken en die wilden allemaal hetzelfde. Maar nu is er een lange reeks ministeries betrokken bij eventuele grote projecten en bemoeien tal van belangengroepen zich ermee. Er zijn briljante stuurmanskunst en een grote intelligentie nodig om überhaupt iets voor elkaar te krijgen.”

Dat stemt niet optimistisch over de toekomst van het Nederlandse cultuurlandschap. Hoe zou dat volgens u kunnen worden behouden?

„Ook het Nederlandse landschap is speelbal van veel partijen. Maar hiervan komt er niet één op voor het oude cultuurlandschap. Bovendien is er de laatste decennia ook nog een sterke natuur- en milieubeweging bij gekomen. Die heeft er mede voor gezorgd dat nieuwe landschappen tegenwoordig vaak als ‘oernatuur’ worden ingericht, zoals die in Nederland nooit heeft bestaan.

„Het oude Nederlandse cultuurlandschap hoeft natuurlijk geen museum te worden. Het kan alleen behouden blijven als het functioneert en een economisch draagvlak heeft. Ik denk dat we de oplossing vooral moeten zoeken in kleinschalige, duurzame landbouw. Dit klinkt misschien romantisch, maar bestuurders doen nu vaak te gauw laatdunkend over biologische landbouw. Die is allang het hippiedom ontstegen en levert vaak betere producten op dan de industriële landbouw.”

In ‘Een Nieuwe Wereld’ merkt u op dat er zoiets bestaat als ‘Nederlandse’ techniek. Is de Nederlandse techniek zo bescheiden dat het land van water en brede rivieren nooit een imposante brug als die over de Firth of Forth bij Edinburgh heeft voortgebracht?

„Ik denk dat de bizar grote brug over the Firth of Forth ook alleen mogelijk was in een land waar staalprijzen heel laag waren, Groot-Brittannië dus. Maar Nederland is inderdaad niet zo goed in techniek, het is nooit een echt industrieland geworden. Wat techniek betreft zit Nederland ergens in tussen Frankrijk en Duitsland in. In Frankrijk heeft techniek een sterke aristocratische en militaire traditie gehad, Duitsland heeft zich in de negentiende eeuw omhooggewerkt van straatarm land tot industrienatie door in het onderwijs grote nadruk te leggen op technische en bètavakken.

„Maar waar Nederland natuurlijk onbetwist goed in is, is waterbouw. Het graven van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal in de negentiende eeuw zijn werkelijk imposant. Het is misschien een cliché, maar Nederlandse techniek – dat is toch waterbouw.”

Heeft de Nederlandse architectuur ook een identiteit?

„Nederlandse architecten zijn botenbouwers, zoals Zwitsers in principe klokkenmakers zijn. Een groot deel van de Nederlandse economie stond eeuwenlang in het teken van water. Het wemelde van de werven, zeilmakerijen, touwslagerijen. Dat heeft zijn invloed gehad op het bouwen, van nature een traditiegevoelig ambacht. Vooral bij gebouwen in West-Nederland waar de bodem slap was, ging het, net als bij boten, om vragen als: zijn ze stabiel, zijn ze niet te zwaar, kunnen ze sterker en lichter? Echt Nederlandse architecten, zoals Gerrit Rietveld en Johannes Duiker, waren steeds bezig met de minimale materialisatie van een kozijn of betonconstructie.”

De opmerkelijkste ontwikkeling in de Nederlandse architectuur in de afgelopen tien jaar is de golf retrogebouwen die over het land is gespoeld. Hoe komt dat?

„Dat komt door de marktwerking die sinds de verzelfstandiging van de woningbouwverenigingen ook in de woningbouw is toegenomen. En veel mensen hebben nu eenmaal graag traditionele huizen met een zolder en een puntdak. Dat was voor modernistische architecten juist taboe. Het modernisme was een elitekunst die zijn echec beleefde in de jaren zeventig. Toen begon, heel voorzichtig, de opmars van meer traditionele architectuur, ingeleid door vriendelijke projecten van Aldo van Eyck en Theo Bosch. Nu geeft de commercie de toon aan, en die luistert naar wat de klant wil. Ik begrijp de populariteit van de nieuw gebouwde jaren dertig huizen wel. Die huizen hebben bijvoorbeeld vaak een borstwering die er voor zorgt dat je niet zo te kijk zit als in een doorzonwoning. Dat is wel prettig.”