Vrienden-tabouleh

Moderne kookboeken zijn doorspekt met gelukkige familietaferelen. Daar moet je tegen kunnen.

Soms word je wel eens een beetje blasé van kookboeken. Laatst sprak iemand nog enthousiast over De zilveren lepel, ‘de bijbel van de Italiaanse keuken’, en dat schijnt een geweldig kookboek te zijn, hét Italiaanse kookboek – maar ik denk verveeld: hoeveel Italiaanse kookboeken moet je hebben? Zo eindeloos gevarieerd eten ze daar nu ook weer niet.

We hebben al Marcella Hazan en Anna del Conte, en The River Café en Claudia Roden natuurlijk, en Elizabeth David en Jamie Oliver. En laatst verscheen ook die superdikke pil van Giorgio Locatelli, Made in Italy, waar ik niet doorheen kom omdat die man zoveel kletst tussendoor, wat helemaal niet erg zou zijn als hij goed of leuk kon schrijven, maar dat kan hij niet. Het is gewoon zo’n modern kookboek waarin je kennis moet maken met de hele uitgebreide familie van de schrijver/schrijfster en de recepten van opa’s en oma’s en tantes en hoe ze die vroeger altijd maakten.

Moderne kookboeken kunnen niet dik en geinig genoeg zijn, vol foto’s van kinderspeelgoed, allemaal mensen aan tafels (dat vooral, heel veel portretten van lachende onbekenden met halflege borden), artistiek neerdwarrelende rijst of pornografische close ups van smeltende kaas op gnocchi.

Ik moet er echt eens aan gaan beginnen. Misschien is die Locatelli wel geweldig. En ook aan het al even dikke, met nog meer familiefoto’s doorspekte Geheimen van de Rode Lantaarn. Verhalen en recepten van een Vietnamese familie van Pauline en Luke Nguyen en Mark Jensen.

Dus toen ik laatst 25 mensen op bezoek kreeg die ik beloofd had ‘een hapje’ te zullen verzorgen, greep ik niet naar een van die nieuwe familiealbums maar na enig overwegen naar Casa Moro, het tweede kookboek van Sam & Sam Clark, na het al even geweldige Moro. Tweede kookboeken vallen vaak niet mee, zeker niet als de auteurs zich voornemen min of meer hetzelfde te doen als in het eerste kookboek, waarin ze al hun toprecepten en eigen favorieten natuurlijk al gezet hebben. Maar het tweede Moro-boek was wèl goed, ook al zien we veelvuldig Sam & Sam Clark zitten eten, picknicken of paella maken met de kinderen. Nu ik het al langere tijd gebruik, wordt het alleen maar leuker en beter. Zo gaat dat vaak met kookboeken. Je moet er een poosje mee leven. Wat dat betreft is het net poëzie. Sommige kookboeken en dichtbundels zijn op het eerste gezicht leuk, je leest wat, je maakt wat, en daarna vergeet je het hele boek dan wel de bundel.

Maar Casa Moro gaat geregeld weer open, vooral als ik aan iets buffetachtigs denk, of aan verschillende kleine hapjes voor een groot gezelschap. Tapas bij Moro overstigen het borrelhapje vér. De tapas en mezze (de Arabische/Noord-Afrikaanse variant van tapas) die erin staan, zijn eigenlijk meer leuke voor- en bijgerechten.

Ik trof bijvoorbeeld een ‘wintertabouleh’ aan. Tabouleh kun je tegenwoordig zelfs kant en klaar kopen, zo populair is het, maar meestal wordt het dan raar opgesierd met allerlei paprika’s en gedroogde tomaten en ben ik ertegen (nergens op slaand purisme mijnerzijds schrijft voor: burghul, véél peterselie, handje munt, lente-uitjes, tomaat, komkommer, citroensap, olijfolie, peper en zout. Verder niks).

Maar voor wintertabouleh gelden natuurlijk geen voorschriften, dus daar mocht best fijngesneden lof, klein gesneden bloemkool en venkel in, plus natuurlijk veel peterselie en een handje munt. En granaatappelpitten.

De dressing was een verrukking, met granaatappelsiroop (zuur en stroperig en heel geschikt voor wintersalades) die de Morootjes slim verdunnen met een lepeltje water voor ze er de olie doorheen kloppen. Weer wat geleerd, want doe je dat niet dan is je dressing makkelijk wat te dik. Ze doen er verder knoflook en kaneel in en dat is echt goed.

Ook trof ik een heerlijke aardappelsalade – aardappelsalade is altijd onweerstaanbaar, mits een beetje goed gemaakt – met sinaasappel en klipvis. Ik had even geen klipvis bij de hand en heb die maar vervangen door een gestoomde makreel – was ook bijzonder lekker. Met ui en olijven.

Eigenlijk wil ik nu aldoor dingen maken uit Casa Moro. Met weinig vlees, veel vis, veel groenten (hoort u mij, gezondheidsbrigade? Me-di-ter-raan! Braaf hè? Gezond hè?) ladingen uien, peterselie en paprikapoeder. Spaans eten is makkelijk wat grof, maar hier niet, en hier komt er bovendien allerlei Arabische invloed bij. En het leent zich zo goed voor de winter!

Maar ja. Ik moet nog een aantal heel dikke kookboeken vol families lezen. Misschien dat zich daarin wel echte kipgedichten of peultjes met poëzie schuilhouden.