Rups is na jaren toch resistent geworden voor gentech Bt-katoen

Voor het eerst zijn er insecten resistent geworden voor zogeheten Bt-katoen. Deze katoenplant maakt door genetische manipulatie een bacterieel eiwit dat giftig is voor rupsen van plaaginsecten. Amerikaanse entomologen onder leiding van Bruce Tabashnik van de University of Arizona constateren in een review-artikel dat rupsen van de mot Helicoverpa zea op twee plaatsen in de Verenigde Staten resistent zijn geworden tegen Bt. Vijf andere plaaginsecten van katoen hebben nog helemaal geen resistentie opgebouwd (Nature Biotechnology, februari).

Wetenschappers voorspelden bij de introductie van de eerste Bt-planten in 1996 dat insecten binnen de kortste keren resistentie zouden ontwikkelen tegen het ingebouwde bacteriegif. Om dat zoveel mogelijk tegen te gaan stelde de Amerikaanse overheid zogeheten refugia verplicht. Dit zijn gedeeltes van de landerijen die naast de velden met Bt-katoen worden ingezaaid met gewone katoen. De gedachte hierbij was dat de ontwikkeling van resistentie vertraagd zou worden, doordat eventueel resistent geworden insecten uit het Bt-veld zouden kruisen met niet-resistente soortgenoten uit de refugia. Daardoor zouden de resistentiegenen niet makkelijk kunnen worden doorgegeven aan een volgende generatie. Maar ondanks die maatregelen wisten de onderzoekers dat het slechts uitstel van executie was en dat er uiteindelijk wel resistentie zou ontstaan.

Tabashnik schreef in 2003 nog dat hij verbaasd was dat er nog nergens insecten waren opgedoken die de Bt-technologie hadden verslagen. En nu hij heeft geconstateerd dat er tussen 2003 en 2006 in katoenvelden in Arkansas en Missisippi wel resistentie is gevonden, is hij nog altijd verbaasd. Want het is nog altijd de uitzondering die de regel bevestigd.

Wereldwijd is de aanplant van Bt-katoen spectaculair gestegen. Boeren die deze gewassen verbouwen hoeven veel minder chemicaliën te spuiten om plaaginsecten te bestrijden. Het wereldareaal aan Bt-katoen en Bt-maïs bedraagt al meer dan 162 miljoen hectare. In India is tegenwoordig driekwart van de katoenproductie afkomstig van Bt-planten.

Desondanks constateert het team van Tabashnik alleen in een klein gebied in de Verenigde Staten bij slechts één soort enige resistentie, terwijl zij in hun analyse katoenvelden in de VS, Spanje, China en Australië betrokken, en vijf andere soorten rupsen in onbeschermde katoen veel oogstverlies veroorzaken.

En zelfs in Arkansas en Mississippi leidde de resistentie niet tot problemen omdat in het veld nog altijd 50 tot 60 procent van de rupsen stierf en de katoenboeren met chemische middelen de plaag onderdrukten als er te veel rupsen kwamen.

Dat de resistentie alleen is opgetreden bij Helicoverpes zea en niet bij de andere vijf laat zich volgens Tabashnik verklaren doordat de genmutatie bij deze soort dominant is. Daardoor zijn ook rupsen die het gen erfden van één ouder beschermd tegen het gif. Refugia zijn in dit geval dus niet zo effectief.

De resistente rupsen in Arkansas en Mississippi zijn bestand tegen een specifieke vorm van Bt, het eiwit Cry1Ac. Veel moderne varianten van Bt-katoen zijn echter zo ontworpen dat zij twee Bt-toxines produceren, behalve Cry1Ac ook Cry2Ab. Insecten die resistent zijn geworden voor het ene gif zullen dan toch nog door het andere gedood worden. Dit dubbele Bt-katoen kwam in 2002 op de markt en het areaal ervan in de VS bedroeg in 2006 en 2007 al meer dan een miljoen hectare. Tegelijkertijd daalde het areaal van enkelvoudige Bt-katoen in de VS van 2,5 miljoen hectare in 2006 naar 1,3 miljoen hectare in 2007.

Sander Voormolen