Rekenonderwijs (1)

Met belangstelling, maar ook met een gevoel van wanhoop, las ik de discussie tussen Treffers en Van de Craats over het rekenonderwijs in Wetenschap & Onderwijs van 26 januari. Van de Craats is hoogleraar wiskunde in Amsterdam en weet waar hij het over heeft. Treffers is als hoogleraar rekendidactiek primair onderwijs verbonden aan het Freudenthal Instituut, `gelieerd` aan de Universiteit Utrecht. In de discussie probeert Treffers het echte rekenen in diskrediet te brengen door het als cijferen aan te duiden en naar het beroepsonderwijs te verwijzen. Argumenten heeft hij eigenlijk niet. Ook beweert hij dat er geen draagvlak is voor de mening van Van de Craats dat het rekenonderwijs mede dankzij het Freudenthal Instituut totaal in de soep is gelopen. Ik kan hem meedelen dat ik geen enkele serieuze wiskundige ken die daar anders over denkt dan Van de Craats.

Ik heb ook eens zitten denken hoe deze ellende eigenlijk is ontstaan en dan kom je vanzelf uit bij Hans Freudenthal, de oprichter van wat nu het Freudenthal Instituut heet. Freudenthal was een goede wiskundige die ook bestuurlijk actief was. Ik heb hem nog uitgebreid meegemaakt in de Sectie Wiskunde van de Academische Raad (AR), bij werk voor de Commissie Modernisering Leerplan Wiskunde en in de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Hij was ook rector magnificus in Utrecht, waarover nog fraaie verhalen de ronde doen. De AR moest een keer een benoeming van een hoogleraar Medische Statistiek goedkeuren, waar Freudenthal tegen was. Dat is toch helemaal geen vak” zei hij. Ik vraag mij af hoe hij zou hebben gereageerd op een hoogleraarschap rekendidactiek.

Freudenthal begon zich met het rekenonderwijs te bemoeien omdat hij bang was dat als de wiskundigen dat niet deden, dit onderwijs geheel zou worden bepaald door onderwijsdeskundigen zonder veel kennis van de wiskunde en van de specifieke eisen die aan onderwijs in de wiskunde moeten worden gesteld. Dat hij misschien zelf ook wel gedacht heeft dat hij met het Freudenthal Instituut van de regen in de drup was geraakt, moge blijken uit wat hij zei toen wij elkaar in zijn laatste levensjaren nog eens spraken bij de KNAW: Voordat ik mij met het rekenonderwijs bemoeide konden de kinderen alleen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen. Nu kunnen zij dat ook niet meer.”