Opzienbarend

In het Nederlands onderwijs, zo kon u twee weken geleden in deze krant lezen, slaagt een steeds lager percentage van de jongens erin het einddiploma vwo te behalen. Suzanne Dannenburg-Bijl, econometrist en docent wiskunde, had over de periode 1980–2006 in kaart gebracht hoeveel procent van alle jongens en hoeveel procent van alle meisjes het einddiploma vwo behaalde. Bij de meisjes zien we een vrijwel continue stijging van 9,8 procent in 1980 naar 16,4 procent in 2006. Bij de jongens zien we eveneens een geleidelijke stijging, zij het minder spectaculair, van 12,5 naar 15,2 procent midden jaren negentig om vervolgens weer te dalen naar een niveau dat een fractie hoger ligt dan in 1980: in een kwart eeuw tijd van 12,5 naar 13,2 procent. Zaten in 1980 in een klas van 30 leerlingen 17 jongens en 13 meisjes, inmiddels is het omgekeerde het geval.

Deze ontwikkeling wordt verklaard uit veranderingen in de leeromgeving. Leerlingen wordt steeds vaker gevraagd zelfstandig te werken en dat vereist meer zelfdiscipline. Of ze moeten werken in groepjes, wat betekent dat er moet worden samengewerkt. Allemaal zaken die meisjes in de regel beter doen dan jongens. Als gevolg van de vroege selectie moeten leerlingen al vanaf de basisschool serieus aan de slag. Ook wat dat betreft zijn meisjes de jongens verre de baas.

Maar daarnaast is er nog een andere verklaring voor het dalende percentage bij de jongens. Doordat meisjes het beter zijn gaan doen, is er minder plaats voor de jongens. U stopt nu vermoedelijk even met lezen, en verzucht: wat een onzin. Het aantal plaatsen in het vwo is immers in principe ongelimiteerd. Het zal zich dus aanpassen aan de vraag. Dat zou je inderdaad verwachten. Dat deed ik ook, maar de cijfers wijzen uit dat dit helemaal niet het geval is. In werkelijkheid concurreren jongens en meisjes met elkaar om een beperkt aantal vwo-plaatsen.

In het jaar 1980 bedroeg het aantal 18-jarigen 250.000. In dat jaar slaagden 29.500 leerlingen voor het eindexamen vwo. Vervolgens zagen we als gevolg van ‘de pil’ een dramatische terugval van het aantal 18-jarigen. In 1993 bedroeg hun aantal 195.000. Het aantal vwo-geslaagden in dat jaar bedroeg 29.100. Weer 13 jaar later, in 2006, bedroeg het aantal 18-jarigen nog steeds 195.000 en was ook het aantal vwo-geslaagden nagenoeg hetzelfde gebleven: 28.900.

Het is dus niet een bepaald percentage van alle kinderen dat uiteindelijk een vwo-diploma behaalt, een percentage dat in de loop der jaren geleidelijk stijgt of daalt, maar een door de jaren heen constant aantal van rond de 30.000. Wat dat betreft is er dus de afgelopen 25 jaar helemaal niets veranderd. Hoe dit te verklaren?

Scholen voor vwo hebben de eerste keuze uit het aanbod van leerlingen. Zij selecteren de beste. Tot hun klassen gevuld zijn. De toelatingseisen zijn dan ook afhankelijk van de kwaliteit van het aanbod. Zo bedraagt de minimale Cito-score om tot het gymnasium te worden toegelaten op de ene school 541 en op een andere school 548 (de maximaal haalbare score is 550). Voor wat betreft het vwo vond ik minimumeisen die varieerden van 540 tot 545. De vraag hoeveel leerlingen elk jaar worden toegelaten tot het vwo is dus niet afhankelijk van de vraag hoeveel leerlingen de capaciteiten hebben om die opleiding te volgen, maar wordt bepaald door de ruimte die scholen daarvoor hebben ingeruimd. Landelijk gezien is die ruimte blijkbaar een constante, en dat betekent dat ongeacht de omvang van het leerlingenpotentieel en ongeacht ook de kwaliteit daarvan, elk jaar 30.000 leerlingen het vwo-diploma behalen. En als de meisjes het beter gaan doen? Dan is er uiteraard minder plaats voor de jongens.

Ik vind dit opzienbarend. Dit schreeuwt om beleid.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl