Niets meer verborgen

De Amsterdamse wallen met La Vie en Rose op het einde van de steeg Fotoarchief NRC Handelsblad De Amsterdamse wallen met La Vie en Rose op het einde van de steeg NRC Handelsblad

Hoe ouder een stad, hoe meer stegen. Dat is geen wonder. De stad moest zich verdedigen, er werd een muur omheen gebouwd, en daarbinnen was geen ruimte voor boulevards en brede straten. Klopt dat? Werden eerst de stadsmuren gebouwd en pas daarna de huizen? Of was het andersom: eerst een nederzetting en daarna de wallen, de muren en de grachten? Dat lijkt me waarschijnlijker. Als dan de stad zich uitbreidde, werd er een nieuwe, een ruimere verdedigingsring aangelegd en de volgende gracht gegraven. Hoe dan ook, in vroeger eeuwen werd er compacter gebouwd. Daarom is de Amsterdamse binnenstad zo rijk aan nauwe straten met hun dwarsverbindingen, de stegen.

Er is een tijd geweest dat ik, lopend naar mijn werk, door twee stegen kwam: de Romeinsearmsteeg en het Keizerrijk, waar de zijingang van het Algemeen Handelsblad was. De krant verhuisde, beleefde allerlei avonturen, werd tot de ene helft van de slijpsteen voor de geest, kreeg er een vrolijk gezond kind bij, de Next, en aan de stegen dacht ik niet meer. Tot ik het boek van Lodewijk Brunt en Kees Tamboer, DE STRAAT OP! Paaltjes en poëzie in Amsterdam las. De schrijvers lopen of fietsen door de stad, geven hun ogen de kost, en schrijven hun ervaringen op, iedere week in Het Parool. Absurditeiten, misstanden, mooie dingen, absolute onbegrijpelijkheden, niets ontgaat de heren. Ze hebben zichzelf tot stadsinspecteur, stadswacht benoemd. Zo hoort het ook, vind ik. Iedereen die van zijn stad houdt, is in beginsel een stadswacht. Het enige verschil is dat deze twee er stukjes over schrijven. Die zijn nu verzameld en eind vorig jaar in boekvorm verschenen.

Op pagina 153 wordt onder het kopje Het is oorlog de toestand aan het begin van de Blindekatersteeg beschreven. Een van de geheimste steegjes van Amsterdam, op een gewone stadskaart niet te vinden. Naast de Bonneterie aan het Rokin. „Hoe onooglijk ook, de toegang is gebarricadeerd alsof de goudvoorraad van De Nederlandse Bank erachter ligt opgeslagen”, schrijven de Stadwachten. Dat wilde ik ook weleens zien. En ja, het is ongelofelijk. Dit is een collectie van stalen punten, haken, prikkeldraad, zo vernuftig en gevarieerd dat je je afvraagt of het misschien als kunstwerk is bedoeld. Paranoia in staal.

Ik ging erop letten. In het Keizerrijk kon je vroeger nog weleens een lege portemonnee vinden, door een zakkenroller daar achtergelaten. Nu is deze steeg met een stevig hek afgesloten. Tussen de Nieuwedijk en de Nieuwezijds Voorburgwal zijn de meeste stegen gebarricadeerd alsof aan weerszijden vijandige stammen wonen. Ook is er een rijkdom aan nieuwe vormen van stalen stekels: in een rij als vleeshaken aan een stang gelast, ondersteboven, in alle richtingen zodat een eventuele inklimmer zichzelf halverwege onherroepelijk aan de muur heeft gespiest. En verdedigingsdraad, in een uitgerekte rol op een muur of schutting bevestigd, met scheermesjes-achtige uitsteeksels, die de indringer de honderd procent zekerheid geven dat hij aan bloedverlies zal bezwijken.

Het is alsof we de Maginotlinie, de Grebbelinie, de Atlantikwall hebben geprivatiseerd. Langzamerhand en ongemerkt glijden we in een toestand van totale mobilisatie. Iedereen moet er altijd op verdacht zijn dat er bij hem wordt ingebroken, fysiek via het raam, auditief met een geheime microfoon, visueel met een geheime camera die in beginsel overal verborgen kan zijn, digitaal door een inbraak in je computer. Apparatuur die een paar jaar geleden alleen nog door de CIA en 007’s werd gebruikt, is nu in de speciaalzaken voor een relatief prikje te koop. Wat toen onder scherp geformuleerde voorwaarden uitsluitend aan de staat was voorbehouden, wordt nu door enigszins geavanceerde schoolkinderen voor de lol in de praktijk gebracht.

Begrijp me goed: dit is geen jammerklacht of een uitbarsting van ouderwets gemopper. Het is niets anders dan een kleine beschrijving van de nieuwe werkelijkheid. Binnen niet langer dan een kwart eeuw heeft het dagelijks leven een graad van openbaarheid gekregen waarvan de Big Brother van George Orwell niet heeft kunnen dromen.

Het is niet meer dan vanzelfsprekend dat de mensen zich daartegen verdedigen. Dat kunnen ze op twee manieren doen: door hun eigen wapenrusting beter op orde te brengen, of door zich aan te passen. Mij zou het niet verbazen als er binnenkort een cameradetector wordt uitgevonden, een apparaatje dat met radar werkt en dat geluid maakt zodra er een verborgen camera op de eigenaar gericht wordt. Een zacht loeien dat alleen voor hem waarneembaar is. Voor je computer heb je ook al de spamfilter en de firewall, dus waarom niet.

De andere manier van verdediging is de radicale aanpassing. Je gaat deze aanvallen op je privacy tot de natuurlijkste zaken van de wereld rekenen. Je schrijft je particuliere leven af, radicaal. Je hebt je een nieuwe natuur veroverd: die van de totale openbaarheid. Ik heb het gevoel dat het eerder deze kant opgaat en sneller dan we nu denken. De toekomst van de nieuwe naaktheid.