Niet zo... maar zo!

Hoe maak je van de straat weer ruimte om te leven en te spelen?

Op een koude, winderige middag zijn er niet veel mensen op straat in Borneo Sporenburg. Maar op zonnige zomerdagen kun je in deze Amsterdamse wijk uit de jaren negentig van de vorige eeuw precies zien waar mensen wel en niet graag op straat zitten, weet architecte Marlies Rohmer. Ze heeft zelf een blok woningen ontworpen in de wijk en ze is regelmatig gaan kijken hoe haar en door andere architecten ontworpen woningen ‘werkten’.

Marlies Rohmer vindt het belangrijk dat de stadsstraten er niet alleen zijn om van a naar b te gaan en auto’s te parkeren, maar ook om te zitten, te hangen en vooral te spelen, vertelt ze tijdens een fietstocht door de straten van Borneo Sporenburg. „Kinderen worden steeds dikker”, zegt ze. „De oorzaak is duidelijk: ze zitten veel achter de computer en spelen steeds minder op straat. Ouders vinden het tegenwoordig vaak te gevaarlijk om ze buiten te laten spelen. Veel straten zijn daar ook niet geschikt voor. Maar daar is met vrij eenvoudige middelen iets aan te doen door architecten.”

Rohmer is al een jaar of tien bezig met de vraag hoe de straat kan worden terugveroverd op het verkeer. Ze verzamelde artikelen uit kranten en tijdschriften en onderzoeken over het opgroeien van kinderen en jongeren. Ze vonden een plek in haar vorig jaar verschenen boek Bouwen voor de next generation. (zie inzet)

Een van de redenen voor haar interesse in de veranderende leefwereld van jongeren, is dat ze zelf een elfjarige dochter heeft die opgroeit in de binnenstad van Amsterdam. Rohmer woont in een straat met een brede stoep en woningen waar banken voor gezet zijn. „We hebben nog wel gedoe met de gemeente gehad over de banken”, zegt ze. „Maar het is zo fijn dat ze er staan. Samen met de buren zitten we vaak op straat. En op de brede stoep kan mijn dochter altijd op straat spelen, er is altijd wel een ouder in de buurt. Overmaat is erg belangrijk voor een levendige stad. Dat had Berlage, de ontwerper van Amsterdam-Zuid, goed begrepen.”

In Borneo Sporenburg zijn niet veel brede straten. Dit komt mede door het uitdagende stedenbouwkundig ontwerp van Adriaan Geuze. Die had bedacht dat de nieuwe wijk voor het grootste deel moet bestaan uit wat architecten ‘laagbouw in hoge dichtheid’ noemen, zoals in de Jordaan. Het resultaat is een wijk met veel dicht op elkaar staande rijtjeswoningen zonder tuin. Maar ook in zo’n wijk, die zij overigens erg goed gelukt vindt, kan een architect zorgen voor een levendig straatleven, wil Marlies Rohmer laten zien tijdens de wandeling.

„Kijk, hier is het niet goed gedaan”, zegt ze als we door een straat lopen waar geen bankjes voor staan. „De stoep is te smal, de portieken ook en de gevels zijn te gesloten. Dit nodigt de bewoners niet uit om op straat te gaan zitten, zodat je dat Jordaan-gevoel krijgt.” Een gat in de huizenrij, waar achter een hek een speelplaatsje is ingericht, kan wel haar goedkeuring wegdragen. „Dit vind ik geweldig”, zegt ze. „Het doet me denken aan de honderden speelplaatsen die Aldo van Eyck in de jaren vijftig overal in Amsterdam heeft ontworpen op kale plekken in de stad. Idealiter zou er in de stad een netwerk van goede speelplaatsen, mooie scholen en ruimte bij de woningen waar kinderen kunnen spelen. Dat zorgt voor een veilig gevoel. Zo houd je middenklasse met kinderen in de stad. En zo zou je ook de veertig Vogelaarwijken kunnen verbeteren, beginnend bij de weg van school naar huis. In de naoorlogse wijken is dat eigenlijk niet zo moeilijk; die hebben in ieder geval al brede stoepen.”

Als we aan het einde van de straat bij een bakkerswinkel komen, merkt Rohmer op dat er daar veel te weinig van zijn in nieuwbouwwijken. „Maar meestal laat het bestemmingsplan die niet toe”, zegt ze.

Niet ver van de bakker staat een school, aan een van de weinige open plekken op Borneo Sporenburg. „Het is goed dat er een paar bankjes staan”, zegt ze. „Als ouders staan te wachten bij school, en ze gaan even naast elkaar zitten, bloeien contacten op. Scholen – en vooral schoolpleinen – zijn dé plekken van integratie en socialisatie: schoolpleinen moeten weer openbaar worden. Bij ‘brede scholen’ horen brede schoolpleinen, met verschillende functies, zoals een speeltuinvereniging. „Dan wordt het beheer ook makkelijker.”

Er is ook een voetbalkooi. „Voetbalkooien zijn zo eendimensionaal. Die zorgen er voor dat het speelplaatsje maar door één groep kan worden gebruikt: jongens. Meisjes en kleine kinderen worden buitengesloten. Een paar sportveldjes zonder hek maar met bijvoorbeeld een gordijn dat niet helemaal gesloten is, was beter geweest. En een klein tribunetje waar je even kunt zitten zou ook goed zijn.”

Somber wordt Rohmer ook van een naburig appartementengebouw met bergingen op de begane grond. „Ongelooflijk”, zegt ze. „Ik dacht dat we dat wel hadden afgeleerd.” Ook de straten met carports op de begane grond, nodigen niet uit tot een verovering van de straat, laat Rohmer zien. „Het is misschien voor architecten interessant om zo’n carporthuis te ontwerpen”, merkt ze op. „Maar ze staan het contact van de bewoners met de straat wel in de weg.” Inderdaad heeft de straat met gesloten carportluiken nog het meest weg van een winkelstraat na sluitingstijd. Nergens is er een teken dat erop duidt dat bewoners de straat voor iets anders dan verkeer gebruiken.

Bij de door haarzelf ontworpen woningen staan wel overal banken en potplanten en zijn er illegale zandbakken in de stoep gegraven. Rohmer legt uit hoe dat komt: „We hebben een eetkeuken aan de straatkant gesitueerd. En deuren zijn boerderijdeuren die je half open kunt zetten. De gevel verspringt en zorgt zo voor beschutting. En de stoep is breed genoeg om op te zitten én te spelen.” Waar het op neerkomt bij de bevordering van straatleven is een goede overgang tussen de woning en de straat is, merkt Rohmer op. „Daarmee zeg ik natuurlijk niets nieuws. Het is al een heel oud verhaal. Eigenlijk ben ik heel erg sixties wat dit betreft.”