Met een kinddossier heb je veel beter zicht

Met een kinddossier voorkom je dat niemand weet wat aan de hand is. De informatie moet ook worden gebundeld met het oog op internationale verdragen.

Caroline Forder

Hoogleraar Europees familierecht aan de Universiteit Maastricht.

Tijdens het recente debat in de Eerste Kamer klonk kritiek op de plannen van minister Rouvoet (Jeugd en Gezin) inzake het elektronisch kinddossier en de Centra voor Jeugd en Gezin. De critici zien echter over het hoofd dat invoering van de plannen van de minister goeddeels noodzakelijk is om internationale verdragsverplichtingen na te leven.

De bedoeling van het elektronisch kinddossier is dat alle gegevens over een kind in een dossier bij één overheidsinstantie terechtkomen. Indien de informatie waarover verschillende instanties beschikken niet bij elkaar wordt gebracht bestaat het gevaar dat de ernst van de situatie waarin het kind verkeert buiten beeld blijft. Het rapport van de Inspectie Jeugdzorg (2005) over de hulpverlening aan het meisje Savanna is een schoolvoorbeeld van het gevaar van verspreide informatie.

Fragmentatie van informatie over kinderen is in 2002 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de kaak gesteld in een zaak tegen Groot-Brittannië. De Engelse raad voor de kinderbescherming wist niet dat drie kinderen door hun stiefvader seksueel mishandeld werden. Wel was deze instantie bekend met het feit dat deze man reeds voor seksuele mishandeling van dezelfde kinderen veroordeeld was en dat hij weer op vrije voeten was. Bovendien wist het ziekenhuis dat een van de kinderen een zelfmoordpoging had ondernomen, was de school op de hoogte van spijbelgedrag van alle drie de kinderen en had de politie er weet van dat een van de kinderen van huis was weggelopen. Het Europese Hof laakte onder meer de slechte samenwerking tussen de verschillende instanties en hield Groot-Brittannië verantwoordelijk voor de ‘vernederende behandeling’ die in strijd was met het verdrag voor de rechten van de mens. Als het elektronisch kinddossier of iets dat daarop neerkomt niet in Nederland wordt ingevoerd, kan men er gif op innemen dat ook Nederland door het Europese Hof zal worden veroordeeld.

De plannen van minister Rouvoet met de Centra voor Jeugd en Gezin zijn met het oog op internationale verdragsverplichtingen eveneens verstandig. De bedoeling is dat er overal in Nederland een ‘laagdrempelig en herkenbaar punt in de buurt’ komt ‘waar alle ouders, opvoeders en kinderen met alle mogelijke vragen over opvoeding en opgroeien én hulp terecht kunnen’, aldus een brief van de minister aan de Tweede Kamer van 16 november 2007. De laatste vijf jaren staat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens erop dat staten laagdrempelige hulp aan ouders bieden. Hierdoor zouden gedwongen interventies in het gezin achterwege kunnen blijven. In 2006 is Tsjechië op het Europese matje geroepen: de Tsjechische raad voor de kinderbescherming had vijf kinderen bij hun ouders weggehaald in plaats van de ouders te helpen met hun problemen met het vinden van woonruimte en werk. Het Europese Hof oordeelde dat de Tsjechische overheid het familie- en gezinsleven van deze ouders en kinderen onvoldoende had gerespecteerd.

Met het oog op de naleving van internationale verdragen volgt minister Rouvoet een goede koers. Sterker, indien deze innovaties achterwege blijven zal Nederland niet het minimum niveau halen dat vereist wordt door het Europese verdrag voor de rechten van de mens.