Koude aarde splijt

Heel klein was de Chinese Xiao Hong, maar een groot schrijfster.

Da Wei en ik zitten achterin een bus en rijden door het desolate winterlandschap van Noordoost China, het vroeger Mantsjoerije. Alles is vlak, kaal, en leeg. Mijn Chinese begeleider doceert natuurkunde op de technische hogeschool van Harbin. We zijn op weg naar Hulan, het stadje waar de schrijfster Xiao Hong in 1911 geboren werd. „Het is nog niet echt koud”, merkt Da Wei op terwijl hij zijn jas open ritst.

Dat ben ik niet met hem eens, ik verberg mijn kin in mijn bontkraag, maar het is zeker niet zo koud als aan het begin van Xiao Hong’s Verhalen over de Hulan Rivier. „Als de rauwe winter het land heeft verzegeld, begint de aarde te barsten en te splijten. Van zuid naar noord, van oost naar west, van een paar decimeter tot een paar meter in lengte, overal, steeds, lopen barsten in elke richting. De barre winter kerft de aardkorst open.”

Vlakbij de oever van de rustig stromende Hulan stappen we uit. Mannen staan gebogen over de open motorkap van een vrachtwagen, er draaft een paardje voorbij dat een kar trekt met hoog opgetast stro. Da Wei weet precies waar we moeten zijn. Hij klopt op een poort.

Er verschijnt een sjofel geklede portier die iets gromt. Da Wei duwt hem opzij. We betreden een binnenplaats. Ik volg Da Wei het hoofdgebouw in. Een vertrek, waar licht binnenvalt door geolied papier, wordt vrijwel geheel in beslag genomen door een gemetselde kang, een verhoogd bed waaronder een vuur gestookt kan worden. „Hier sliep Xiao Hong”, zegt Da Wei. „Naast haar grootvader”, voeg ik eraan toe. Haar familie was bemiddeld, maar ze had geen gelukkige jeugd. Alleen haar grootvader hield van haar. Aan de wanden hangen foto’s van een ernstig kijkend meisje met een recht afgeknipte pony. Op enkele wordt ze geflankeerd door een man in een Chinese tuniek en met een puntbaard: de grootvader. Later poseren minnaars aan haar zijde en houdt ze soms een pijp in haar hand. Vanuit elke foto worden we aangestaard door haar donkere, verdrietige ogen.

Da Wei en ik wandelen de tuin in waar Xia Hong en haar grootvader 's zomers het grootste gedeelte van de dag doorbrachten. Ze bekeken de bloemen. Hij leerde haar poëzie. Achterin zie ik de kleine poort waardoor je bij de buren kon komen. De buren die een ‘kind bruidje’ voor hun zoon hadden gekocht.

Het meisje gedroeg zich niet onderdanig genoeg. De schoonmoeder stelde daarop vast dat ze door kwade geesten was behekst en besloot die met heet water uit te drijven. De buren kwamen kijken, in China is er bij elke gebeurtenis een publiek. Het kind bruidje werd in een vat gekookt, ze probeerde eruit te klimmen, schreeuwde van de pijn, viel flauw en stierf een paar dagen later. Kleine Xiao Hong stond erbij en schreef er over toen ze ouder was. Over de buurvrouwen die niet ingrepen, die daarna rustig gingen slapen en er geen minuut van wakker lagen. Over de wreedheden die een onschuldig mens zo maar kunnen worden aangedaan.

Op de binnenplaats poseert Da Wei naast een wit beeld van Xiao Hong. „De verhoudingen kloppen niet”, zeg ik, „ze was toch heel klein?” „Maar een groot schrijfster”, zegt Da Wei. Xiao Hong was 22 toen ze voor de Japanse bezetters vluchtte en Mantsjoerije verliet. In Hongkong zou ze haar boek over Hulan voltooien. Daar zou ze ook sterven aan een longontsteking. Net dertig jaar oud.

We nemen de trein terug naar Harbin. De schaarse passagiers groepen nieuwsgierig om ons heen. Da Wei informeert ze op luide toon over mijn herkomst en onze bezigheden van die dag. Op een gegeven moment heeft hij er daar genoeg van: „Ze hebben nog nooit van Xiao Hong gehoord.”

We kijken uit het raam naar het vlakke land. „Wist jij dat Xiao Hong een kind heeft gekregen?” vroeg Da Wei. „Nee”, reageer ik verbaasd. In alles wat ik over haar gelezen heb, komt geen kind voor. „Wat is daar van terecht gekomen?” „Ze heeft het weggedaan, afgestaan. Dat weet ik van mijn moeder.” Da Wei’s moeder kende mensen die Xiao Hong hadden gekend gedurende de korte tijd dat ze in Harbin woonde. Na de dood van haar grootvader had Xiao Hong haar ouderlijke huis in onmin verlaten. Ik weet dat ze zich in Harbin nauwelijks in leven had kunnen houden. Ze was dus ook nog zwanger geraakt.

Sinds die mededeling is het gezicht van Da Wei verstard. Als bevroren kijkt hij naar buiten. „Mijn moeder...”, mompelt hij, zoekend naar Engelse woorden. „Mijn moeder was oogarts. Op een dag tijdens de Culturele Revolutie kwam een groep middelbare schoolleerlingen naar ons huis. Klasgenoten van mijn zus waren het. Ze namen mijn moeder mee en sloegen haar dood.” „Wat?”, reageer ik geschokt. „Ze sloegen haar dood”, herhaalt Da Wei toonloos. „Klasgenoten van je zus?” Hij knikt. „En kom je die nog wel eens tegen?” Hij knikt weer. „Soms.” „En wat zeg je dan tegen ze?” „Niet veel.”