IJshaar, vijven, wijnvis

Karel Knip

IJshaar

Het vorige weekend is waarachtig een wittezakdoekjesweekend geworden. Van AW-wege was al voorspeld dat het te gebeuren stond en jawel hoor. Halverwege de week was het nog behoorlijk nat, met op donderdag 31 in De Bilt nog 5,5 mm regen, en toen opeens van zaterdag op zondag in het zuiden winters met nèt een graadje vorst. Het gevolg was dat links en rechts op het afgevallen blad in Limburgse bossen witte plekken of plukken verschenen die van een afstandje op papieren zakdoekjes leken.

Het verschijnsel, hier nogmaals op de foto, is vorige week een zeldzaam fenomeen genoemd. Met die zeldzaamheid lijkt het wel mee te vallen. Uit diverse hoeken van het land arriveerden knap gedigitaliseerde opnamen van nieuwe zakdoekjes die natuurlijk niet echt zakdoekjes zijn maar dode takken waarop pluizig ijs groeit. IJs in de vorm van haardunne broze draden. Inmiddels heeft de AW-redactie een tiental verschillende ijsverschijnselen in archief en daaruit valt een conclusie te trekken die een enkele lezer ook zelf al trok: het zijn altijd beukenblaadjes waarop de takken met ijs liggen. En het zullen dus ook wel beukentakken zijn.

De betreffende lezer woont in Mensdorf (Luxemburg) en ziet ze elk jaar tijdens zijn winterwandelingen in de Mensdorfer beukenbossen. Ook hij had ze trouwens nog nergens beschreven gevonden. De ‘ijsbaard’, zoals hij door anderen wordt genoemd, verschijnt uitsluitend in nachten waarin het maar heel licht vriest. “Lagere temperatuur stopt het verschijnsel.” Ook mag het niet te veel waaien. Het gemeenschappelijk kenmerk van de dode beukentakken waarop het ijshaar groeit is dat ze oud en flink verteerd zijn en geen schors meer hebben.

Zekerheid over de manier waarop de ijsdraden ontstaan geeft dat nog niet. Minnaert suggereerde dat het water in de vochtdoordrenkte takken bevriest en, al uitzettend, vloeibaar water door de takporiën naar buiten perst. In Mensdorf denkt men dat uit de poriën veel waterdamp ontwijkt die condenseert en vervolgens bevriest. Vast staat dat de groeizone van de ijsdraden zich aan de takzijde bevindt, en niet aan de losse punt. Nieuw ijs duwt reeds gevormd ijs voor zich uit.

De lezer wordt aangeraden nog eens naar de indrukwekkende site van emeritus hoogleraar James. R. Carter uit Illinois te gaan (via www.ilstu.edu) . Hij heeft een schitterende collectie foto’s van deze ‘ice flowers’ die ook wel met ‘silk frost’ worden aangeduid (En in Duitsland met Kammeis, in Zweden: pipkrakes). Het komende weekend zal er geen pipkrakes te zien zijn.

Op 19 januari is hier een tentamen aansprakelijkheidsrecht besproken dat door 764 Amsterdamse studenten was afgelegd. Het was niet zo best gemaakt, de helft had een onvoldoende gekregen en er waren maar liefst 19 enen, 39 tweeën en 73 drieën. Gelukkig ook wat negens (18) en tienen (2). Het vreemde was dat er zo weinig vijven waren: maar 48. Er waren vooral vieren (173) en zessen (162). In grafiek was de cijferverdeling geen dromedaris maar een kameel met twee bulten. Hier is gemanipuleerd om met niet te veel studenten in debat te hoeven, was de AW-conclusie, want in het onderhavige geval was aan 5-halers extra ondersteuning toegezegd.

Ja, natuurlijk was hier gemanipuleerd, lieten diverse lezers met onderwijservaring weten. Wij deden niet anders als docent. Je probeert het aantal vijven zo laag mogelijk te houden, want een vijf levert altijd gezeur op. Altijd probeert de gedupeerde dat op te vijzelen tot een zes. “A.D. de Groot heeft er een heel boek over geschreven: ‘Vijven en zessen’, uitgegeven bij Wolters-Noordhoff.”

Andere docenten beweerden dat zij hun tentamens en proefwerken altijd zó inrichtten dat de schapen optimaal van de bokken werden gescheiden. Hun kamelen hadden bij voorkeur een bokkenbult bij het cijfer 3 en een schapenbult bij de 7.

De vraag was dus: zou het werkelijk altijd zo gaan? Op verzoek kreeg de AW-redactie uit Amsterdamse hoek ook de cijfers van het tentamen ‘Encyclopedie der rechtsgeleerdheid’ en ‘Herschikking van Europa’ toegezonden. Maar hier bleek toch werkelijk niets bijzonders aan de hand. De Encyclopedie leverde een nagenoeg volmaakte Gauss-curve op. Daar zaten geen docenten achter die de confrontatie met studenten vreesden.

Er is hier op 29 december veel en bittere kritiek geleverd op de laatste wetenschapsquiz. Het was veel lezers niet voldoende. Er kwamen nog klachten binnen over de champagnevraag en over de proef met de brandende kaars in een jampotje. Was het veel moeite geweest bekend te maken dat de kaarsvlam niet boven de jampotopening uitstak, wil men weten.

In vraag 6 moest antwoord komen op de vraag of je bij het skiën tijdens een zonnige winterdag op de Zugspitze (in Beieren) sneller of juist minder snel verbrandde dan aan het strand bij Zandvoort op een zonnige zomerdag. Gewenste antwoord: even snel. Het valt niet mee de juistheid hiervan aan de hand van betrouwbare gegevens te bevestigen of te betwijfelen. Er is de invloed van zonshoogte, hoogte boven zeeniveau, weerkaatsing van de sneeuw, dikte van de ozonlaag en nog meer.

Maar er is een short cut: de sneeuwblindheid. De aantasting van het hoornvlies die onder andere omstandigheden met ‘lasogen’ wordt aangeduid. Als die aantasting door precies die soort ultraviolette straling wordt teweeggebracht die ook het verbranden van de huid bewerkstelligt dan moet toch het antwoord zijn dat men op die Zugspitze eerder bruin is. Komt er wel eens iemand sneeuwblind van het Zandvoortse strand terug?

Wàt is het in vis of wàt in rode wijn dat de combinatie van die twee zo smerig maakt. Daarover ging het op 15 december. Aanleiding was de waarneming dat de combinatie tonijn en rode wijn juist geen probleem oplevert. Maar steur is ook geen probleem, en inktvis ook niet, roept men van gastronomische zijde. En bij Merlot, Beaujolais en Côtes du Rhône kun je werkelijk àlle vis eten. Misschien is de kwestie niet te objectiveren?