`Het meisje die`. Is dat nu werkelijk zo erg?

De Vrije Universiteit in Amsterdam gaat eerstejaarsstudenten een taaltoets afnemen. Alleen wie voor die toets slaagt, mag door naar het tweede jaar (NRC Handelsblad, 30 januari).

Zo`n toets zou overbodig moeten zijn. Als het van belang is dat studenten kunnen spellen en lichtelijk archaïsche uitdrukkingen beheersen, kan dat beoordeeld worden tijdens de reguliere tentamens.

Bovendien horen universiteiten zich toe te leggen op het aanleren van academische vaardigheden. Het afleggen van dictees hoort daar niet bij. Universitaire opleidingen zijn de afgelopen decennia steeds schoolser geworden, maar door dit soort toetsing van elementaire feitenkennis wordt de nadruk nog meer gelegd op reproductie van uit het hoofd te leren weetjes en daarmee nog minder op vrij en onafhankelijk denken. De invoering van de taaltoets past in een trend om alle onderwijs steeds braver te maken: de succesvolste student is degene die precies doet wat men hem opdraagt.

Er is nog een derde argument tegen de taaltoets. Hoe erg is het nu werkelijk dat een briljante wiskundestudent `een meisje die` schrijft? Zou de universiteit heus zo iemand moeten uitsluiten van verdere studie? Hoewel meisje grammaticaal een onzijdig woord is, verwijst het naar, nu ja, een vrouwelijk persoon. Al eeuwenlang zijn er mensen die daarom `een meisje die` schrijven. De enige reden dat het `fout` gerekend wordt, is dat schoolmeesters ooit aan hun studeertafel hebben bedacht dat taal logisch moest zijn volgens een door henzelf bedachte logica. Het getuigt misschien van goede manieren, van `weten hoe het hoort`, om de regel van die dode schoolmeesters te volgen. Maar sinds wanneer is het hebben van goede manieren een zo sterke toelatingseis tot de academie dat zelfs werkelijk talent voor natuurkunde of arbeidsrecht of kunstgeschiedenis eraan ondergeschikt moet worden gemaakt?